Wet van 5 juni 1913, tot regeling der
arbeiders-ziekteverzekering
Wij Beatrix...
Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden,
Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen,
salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenschelijk is aan arbeiders een geldelijke uitkeering bij
ziekte te verzekeren, en bepalingen te maken omtrent de
voorziening tegen ziekte van arbeiders;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
afdeling Eerste - Algemene bepalingen
§ 1 - Algemeen
Artikel 1.
Jurisprudentie
6.Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke
registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de
toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.
8.Onder
bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel
a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een
meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde
meerderjarige.
Artikel 2.
Jurisprudentie
§ 2 - De werknemer
Artikel 3.
Jurisprudentie
-
2. Wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland en het continentaal
plat vervult, wordt
niet als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont
en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of gevestigd
is. Voor zover een werkgever:
a.in Nederland een vaste inrichting voor de
uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in
Nederland wonende of gevestigde vaste
vertegenwoordiger heeft; of
b.in Nederland een of meer personen in dienst heeft en
hij door of vanwege Onze Minister als werkgever is
aangewezen, wordt hij voor de toepassing van de
eerste volzin gelijkgesteld met een in Nederland
wonende of gevestigde werkgever.
Artikel 3a.
Jurisprudentie
Zo nodig in afwijking van artikel 3 en de
daarop berustende bepalingen:
a.wordt als werknemer beschouwd de persoon van wie de
verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de
toepassing van bepalingen van een verdrag of van een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b.wordt niet als werknemer beschouwd de persoon op wie op
grond van een verdrag of een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een
andere mogendheid van toepassing is.
Artikel 4.
Jurisprudentie
2. Het bepaalde in het vorige lid, onder a en b,
blijft buiten toepassing, indien de onder a bedoelde overeenkomst rechtstreeks is
aangegaan met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens
persoonlijke aangelegenheden.
-
3. Een coöperatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
h, dient te voldoen aan de
vereisten, dat:
a.doorgaans ten minste twee derde deel van het aantal
van de personen met wie de coöperatie een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel
610, eerste lid, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek heeft gesloten, lid van de
coöperatie is;
b.het lidmaatschap van de coöperatie door ieder van de
in onderdeel a bedoelde
personen onder dezelfde voorwaarden kan worden
verkregen en voorwaarden van geldelijke aard geen
wezenlijke belemmering vormen voor de verkrijging
van het lidmaatschap;
c.de leden van de coöperatie ieder één stem hebben;
d.de arbeidsvoorwaarden van de leden van de coöperatie
niet wezenlijk verschillen van hetgeen gebruikelijk
is bij gelijksoortige ondernemingen in de
desbetreffende bedrijfstak;
e.een lid van de coöperatie, behoudens in geval van
liquidatie van de coöperatie, bij beëindiging van
zijn lidmaatschap ten hoogste aanspraak kan maken op
het door hem uit hoofde van een geldelijke
voorwaarde als bedoeld in onderdeel b, hetzij uit anderen hoofde aan
de coöperatie betaalde bedrag, herrekend naar
geldontwaarding.
Artikel 5.
Jurisprudentie
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen
worden gesteld, ingevolge welke eveneens als dienstbetrekking
wordt beschouwd de arbeidsverhouding van:
a.degene, die als thuiswerker arbeid verricht;
b.degene, die de onder a
bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de
arbeid bijstaat;
c.degene, die als musicus of anderszins als artiest
optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent;
d.degene, die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht
en wiens arbeidsverhouding niet reeds ingevolge de
voorgaande bepalingen als dienstbetrekking wordt
beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk kan
worden gesteld.
Artikel 6.
Jurisprudentie
-
2. Geen dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn op
dagen, waarop geen arbeid wordt verricht en geen uitkering
of een uitkering van minder dan de helft van het normale
loon van de werkgever wordt genoten, tenzij het niet
verrichten van de arbeid zijn oorzaak vindt in:
a.een normale onderbreking van of verhindering tot het
verrichten van de arbeid, zolang deze onderbreking
of verhindering niet langer dan een maand heeft
geduurd;
b.weersinvloeden, gebrek aan materialen of dergelijke
omstandigheden;
c.
vervallen;
d.de omstandigheid, dat de dienstbetrekking er toe
strekt, dat slechts een gedeelte van een normale
werkweek arbeid wordt verricht;
e.de omstandigheid, dat de dienstbetrekking er toe
strekt, dat niet regelmatig in elke kalenderweek
arbeid wordt verricht, voor zover het betreft de
kalenderweek waarin arbeid wordt verricht of arbeid
zou worden verricht, indien de betrokkene niet
arbeidsongeschikt was geworden;
f.arbeidsongeschiktheid terzake waarvan ziekengeld op grond van deze wet
is toegekend of terzake waarvan recht bestaat op een uitkering op grond
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
5.Door Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën, regels gesteld omtrent hetgeen onder
directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel d, wordt verstaan.
Artikel 7.
Jurisprudentie
Voor de toepassing van deze wet wordt als werknemer beschouwd:
a.degene, die krachtens de verplichte verzekering op grond
van de Werkloosheidswet
uitkering ontvangt;
b.in door Onze Minister aan te wijzen gevallen degene, die
ten minste vijf of ten minste de helft van zijn
arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren als bedoeld
in artikel 16, eerste lid,
onderdeel a, van de
Werkloosheidswet, doch aan wie geen
uitkering wordt verleend op grond van enige bepaling van
die wet of van het uitkeringsreglement
werkloosheidsverzekeringen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Artikel 8.
Jurisprudentie
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer
beschouwd:
a.degene, die krachtens de verplichte verzekering
ingevolge deze wet ziekengeld ontvangt;
b.in door Onze Minister aan te wijzen gevallen degene, die
wegens ziekte niet werkt, doch aan wie geen ziekengeld
wordt verleend op grond van enige bepaling van deze wet;
c.degene, die wegens ziekte niet werkt, doch aan wie geen ziekengeld
wordt betaald op grond van artikel 29, eerste lid, maar wel een toeslag op
grond van de Toeslagenwet.
Artikel 8a.
Jurisprudentie
Artikel 8b.
Jurisprudentie
2.Het in het eerste lid bedoelde tijdstip kan voor groepen van
overheidswerknemers als bedoeld in onderdeel a van dat lid,
alsmede voor groepen van overheidswerknemers en gewezen
overheidswerknemers met recht op een uitkering op grond van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering als
bedoeld in onderdeel b van dat lid, verschillend worden
vastgesteld.
3.Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld
in het eerste lid, kunnen nadere en, zo nodig, tijdelijk van
deze wet afwijkende regels worden gesteld.
Artikel 8c.
Jurisprudentie
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd:
a.de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in
artikel 3:6, eerste lid, van
de Wet arbeid en zorg aan wie
uitkering wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 1, van die wet;
b.in door Onze Minister aan te wijzen gevallen, degene die
in verband met zwangerschap en bevalling niet werkt,
anders dan bedoeld in artikel
29a, doch aan wie geen uitkering wordt
betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 1, van de Wet arbeid en
zorg.
§ 3 - De werkgever
Artikel 9.
Jurisprudentie
Werkgever is de overheidswerkgever onderscheidenlijk de natuurlijke
persoon tot wie of het lichaam tot welk een of meer natuurlijke
personen in dienstbetrekking
staan.
Artikel 10.
Jurisprudentie
Als werkgever wordt beschouwd:
-
1°.in de gevallen, bedoeld in artikel 4,
eerste lid, onder:
a en b: de aanbesteder;
c en d: degene, met wie de overeenkomst
tot bemiddeling is gesloten;
f: de exploitant of
mede-exploitant van het vaartuig;
g: degene, bij wie de
werkzaamheden worden verricht of de opleiding wordt
genoten;
h: de coöperatie;
i: Onze
Minister van Defensie onderscheidenlijk Onze Minister;
j: Onze Minister van
Defensie.
-
2°.in de gevallen, bedoeld in artikel 5,
onder: a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene, met wie het
optreden of de sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene, die bij de in
artikel 5
bedoelde algemene maatregel van bestuur als werkgever
wordt aangewezen.
3°.de
aangewezen inhoudingsplichtige, bedoeld in artikel 6, zesde lid, van de
Wet op de loonbelasting
1964.
Artikel 11.
Jurisprudentie
3.Ingeval het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de uitkering of toeslag, bedoeld in de artikelen genoemd
in het eerste lid, vermeerderd met de daarover door de werkgever
verschuldigde premies en de
inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de
Zorgverzekeringswet, betaalt aan de werkgever, bedoeld in
artikel 9,
10 of
12, teneinde deze uitkering of toeslag door diens
tussenkomst te doen uitbetalen, treedt voor de toepassing van het eerste lid,
deze in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die
werkgever.
Artikel 12.
Jurisprudentie
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 9 en
10 een ander dan de
aldaar bedoelde personen aanwijzen als werkgever met betrekking
tot:
a.degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen
beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot
stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem
te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander;
b.degene, die een thuiswerker als hulp bij het verrichten
van de arbeid bijstaat;
c.degene, die als musicus of anderszins als artiest
optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent.
Artikel 13.
Jurisprudentie
De werkgever is verplicht de werknemer gelegenheid te geven tot
het uitoefenen van de hem bij of krachtens deze wet toegekende
bevoegdheden en tot het nakomen van de hem bij of krachtens deze
wet opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van die
bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten
de arbeidstijd kan geschieden.
§ 4 - Het loon
Artikel 14.
Jurisprudentie
2. Loon, door verschillende personen tezamen onverdeeld
genoten, wordt, voor zover niet blijkt van een andere
verdeling, geacht door ieder van hen voor een gelijk deel te
zijn genoten.
Artikel 15.
Jurisprudentie
1.Voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet recht
bestaat wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer
in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van
het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid
tot werken is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17,
eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met
betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Artikel 16.
4.Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt de herziene
uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende
uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het eerste lid,
heeft
plaatsgevonden.
afdeling Tweede - Van de verzekering van uitkering van ziekengeld
Artikel 19.
5.Ten
aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in
artikel 9, 10 of 12 wordt onder ongeschiktheid tot het verrichten van
zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van
werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend
voor zijn arbeid zijn. In afwijking van de eerste zin wordt indien de
verzekerde de arbeid gedurende minder dan een week heeft verricht en
daaraan voorafgaand gedurende ten minste zes maanden andere arbeid
heeft verricht onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die
gewoonlijk kenmerkend zijn voor de andere arbeid die in die zes maanden
hoofdzakelijk is
verricht.
Artikel 19aa.
-
1.In afwijking van artikel 19 heeft de verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, zwangerschap of bevalling, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde, indien de verzekerde:
a.ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19; en
b.als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
2.In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, heeft de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop hij in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.
3.Op de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die op of na de dag waarop het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, is verstreken met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen per uur, is het eerste lid, onderdeel b, niet van toepassing tot zes maanden na de dag waarop hij met arbeid meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur ging verdienen.
4.Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
5.Onder maatmaninkomen wordt verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.
Artikel 19ab.
1.Het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa, wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Van een arbeidskundig onderzoek kan onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden worden afgezien.
2.Bij het vaststellen van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen wordt, zo mogelijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden, maar wordt buiten beschouwing gelaten of de verzekerde de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste, tweede en derde lid, en artikel 19aa, eerste en vijfde lid, nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
5.De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
6.Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, maakt de verzekeringsarts zo veel mogelijk gebruik van de bij ministeriële regeling vastgelegde wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen kunnen ondersteunen.
Artikel 19a.
Artikel 19b.
1.Geen recht op ziekengeld heeft de verzekerde gedurende de
periode dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de
dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.
Indien de eerste dag van de ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid is gelegen in een periode dat de
verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, ontstaat geen
recht op ziekengeld.
2.Indien het recht op ziekengeld op grond van het eerste lid
is geëindigd dan wel niet is ontstaan wordt betrokkene vanaf
de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld weer als verzekerde
aangemerkt, indien hij op die dag aan de overige
voorwaarden, bedoeld in de artikelen 19 en 19aa,
voldoet. Deze verzekerde heeft aanspraak op heropening dan
wel toekenning van het recht op ziekengeld voor de
resterende periode, bedoeld in artikel 29,
vijfde lid, dan wel artikel 29a,
vierde lid, met inachtneming van de bepalingen van deze wet.
5.De
verzekerde ten aanzien van wie artikel 19c, eerste lid, op de dag
voorafgaande aan de vrijheidsontneming van toepassing is, heeft, in
afwijking van het eerste lid, geen recht op ziekengeld vanaf de dag dat
de vrijheidsontneming
ingaat.
Artikel 19c.
2.Indien
het recht op ziekengeld op grond van het eerste lid is geëindigd
dan wel niet is ontstaan wordt betrokkene vanaf de dag dat hij zich
niet langer aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel onttrekt weer als verzekerde aangemerkt,
indien hij op die dag aan de overige voorwaarden, bedoeld in de artikelen 19 en 19aa, voldoet. Deze verzekerde heeft aanspraak op heropening dan wel
toekenning van het recht op ziekengeld voor de resterende periode,
bedoeld in artikel 29, vijfde lid, dan wel artikel 29a, vierde lid, met
inachtneming van de bepalingen van deze
wet.
Hoofdstuk I - Van de verzekerden
Artikel 20.
Jurisprudentie
De werknemers in de zin van deze wet zijn verzekerd.
Artikel 21.
Jurisprudentie
In afwijking van artikel 20 wordt
voor de toepassing van de tweede afdeling, hoofdstuk II en van
artikel 64, de
werknemer niet als verzekerde beschouwd voor zover hij werknemer
is als bedoeld in artikel 8a.
Artikel 26a.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan nadere
regelen geven in geval van samenloop van verzekering ingevolge
deze wet uit meerderen hoofde.
Artikel 28.
Jurisprudentie
1.De verzekerde is bij ongeschiktheid tot het verrichten van
zijn arbeid wegens ziekte verplicht, zo dikwijls dit nodig
wordt geoordeeld, zich te onderwerpen aan een geneeskundig
onderzoek door een door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aangewezen arts, zich op last van de
arts tot het ondergaan van zodanig onderzoek te laten
opnemen in de hem aangewezen inrichting, en in het algemeen
de voorschriften van de arts die ertoe strekken om een
geneeskundig onderzoek mogelijk te maken, op te volgen.
Hoofdstuk II - Van het ziekengeld
Artikel 29.
Jurisprudentie
-
1.Behoudens het tweede lid, onderdeel e, en de artikelen 29a, 29b en
29d wordt
geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking
op grond waarvan hij de arbeid behoort te verrichten:
a.recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek, dan wel indien het recht op loon door toepassing van het derde, vijfde,
zesde of negende lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk ontbreekt;
b.recht heeft op
bezoldiging als bedoeld in artikel 76a, eerste lid, dan wel indien het
recht op die bezoldiging op grond van artikel 76a, derde of zevende
lid, of artikel 76b, eerste, tweede of derde lid, geheel of
gedeeltelijk
ontbreekt.
-
2.Het ziekengeld wordt uitgekeerd
over iedere dag van ongeschiktheid tot werken, doch over maximaal vijf
dagen per kalenderweek en niet over zaterdagen en zondagen. In de
eerste kalenderweek wordt in afwijking van het bepaalde in de eerste
zin het ziekengeld uitgekeerd over zaterdag en zondag, doch over
maximaal vijf dagen per kalenderweek, indien de zaterdag of zondag
aantoonbaar een werkdag zou zijn geweest, met dien verstande dat:
1°.als
de zaterdag aantoonbaar een werkdag zou zijn geweest, uitkering van
ziekengeld plaatsvindt over de
zaterdag;
2°.als
de zaterdag en zondag aantoonbaar werkdagen zouden zijn geweest,
uitkering van ziekengeld plaatsvindt over de zaterdag en
zondag;
3°.als de
zondag aantoonbaar een werkdag zou zijn geweest, uitkering van
ziekengeld plaatsvindt over de
zondag.
Het ziekengeld wordt uitgekeerd
aan:
a.de verzekerde van wie de arbeidsverhouding op grond van
artikel 4 of
5 als dienstbetrekking wordt
beschouwd, vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
b.degene wiens aanspraak berust op
artikel 46, vanaf de derde dag van de
ongeschiktheid tot werken;
c.de verzekerde van wie de dienstbetrekking, bedoeld in
artikel 3, binnen het in het vijfde
lid genoemde tijdvak van 104 weken eindigt, vanaf de eerste dag van
ongeschiktheid tot werken nadat de dienstbetrekking is geëindigd, doch niet
eerder dan vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
-
d.de verzekerde
die:
1°.op grond van artikel 7, onderdeel a, als
werknemer wordt beschouwd, vanaf de eerste dag van de veertiende week
van de ongeschiktheid tot werken of zo veel eerder als de uitkering,
bedoeld in dat onderdeel, eindigt op grond van artikel 20, eerste
lid, onderdeel a, b, d of e, van de
Werkloosheidswet;
2°.op grond van
artikel 7, onderdeel b, als werknemer wordt beschouwd, vanaf de eerste
dag van de ongeschiktheid tot
werken;
e.de verzekerde die wegens orgaandonatie ongeschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid, vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot
werken;
f.de vrouwelijke verzekerde, overeenkomstig
artikel 29a;
g.de werknemer, bedoeld in
de artikelen
29b en 29d.
5. Geen ziekengeld wordt uitgekeerd nadat een tijdvak van 104 weken van
ongeschiktheid tot werken is verstreken, te rekenen vanaf de eerste dag van de
ongeschiktheid tot werken. Voor het bepalen van dit tijdvak worden tijdvakken
van ongeschiktheid tot werken samengeteld, indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op
een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling
op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de
Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak. In de gevallen waarin de tweede
volzin toepassing vindt, worden gedurende de desbetreffende periode van 104
weken de eerste twee dagen van de ongeschiktheid tot werken, waarover op grond
van het tweede lid, onderdelen a, b en c, geen ziekengeld wordt uitgekeerd,
slechts eenmaal in aanmerking genomen.
7. Het ziekengeld, bedoeld in het tweede lid, onderdelen
a tot en met d,
bedraagt 70% van het dagloon van de verzekerde.
11.Het tweede lid, onderdeel a, b of c, is niet van toepassing indien
onderdeel g van dat lid van toepassing is.
13.Voor de
toepassing van het tweede lid, onderdeel d, onder 1°, worden
perioden van ongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct
voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband
met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8
of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde
oorzaak.
Artikel 29a.
Jurisprudentie
1.De vrouwelijke verzekerde heeft, indien zij, voorafgaand aan
de dag waarop zij recht heeft op uitkering op grond van
artikel 3:7, eerste
lid, 3:8, tweede
lid, of 3:10, eerste lid, van de Wet
arbeid en zorg, ongeschikt wordt tot
het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar
oorzaak vindt in de zwangerschap recht op ziekengeld ter hoogte
van haar dagloon vanaf de eerste dag waarop die
ongeschiktheid bestaat.
2.De vrouwelijke verzekerde die in de periode, waarin zij
recht had kunnen hebben op uitkering op grond van
artikel 3:7, eerste
lid, 3:8, tweede
lid, of 3:10, eerste lid, van de Wet
arbeid en zorg doch die uitkering nog
niet is aangevangen, wegens ziekte ongeschikt is tot het
verrichten van haar arbeid, heeft recht op ziekengeld ter
hoogte van haar dagloon. Dit ziekengeld wordt uitgekeerd
vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken.
4.Nadat het recht op uitkering op grond van artikel 3:7, eerste
lid, 3:8, derde lid,
of 3:10, eerste lid, van de Wet
arbeid en zorg is geëindigd, heeft de
vrouwelijke verzekerde, indien zij aansluitend ongeschikt is
tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid
haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan
voorafgaande zwangerschap, recht op ziekengeld ter hoogte
van haar dagloon, zolang die ongeschiktheid duurt, doch ten
hoogste gedurende 104 aaneengesloten weken. Dit ziekengeld
wordt uitgekeerd vanaf de eerste dag nadat het recht op
uitkering, bedoeld in de eerste zin, is geëindigd.
5.
Artikel 29,
vijfde lid, blijft buiten toepassing ten aanzien van de
vrouwelijke verzekerde die, op grond van het tweede of
vierde lid van dit artikel, recht heeft op ziekengeld ter
hoogte van haar dagloon.
Artikel 29b.
Jurisprudentie
2.Het eerste lid
is van overeenkomstige toepassing op de werknemer die, onmiddellijk
voorafgaand aan een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3, 4 of 5,
naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een
structurele functionele beperking had en voor wiens ondersteuning bij
arbeidsinschakeling het college van burgemeester en wethouders,
onmiddellijk voorafgaand aan die dienstbetrekking, op grond van artikel
7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet werk en bijstand verantwoordelijk was.
-
3.De
werknemer:
a.die voorafgaand aan zijn dienstbetrekking, bedoeld
in artikel 3, 4 of 5, recht had of heeft gehad op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten,
b.die een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met een
werkgever als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening,
of
c.wiens dienstbetrekking, bedoeld
in artikel 3, 4 of 5, is aangevangen voordat zijn recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten ontstond, omdat die
dienstbetrekking is aangevangen voordat hij achttien jaar werd,
heeft vanaf de eerste dag van zijn ongeschiktheid tot
werken recht op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte die zijn aangevangen na aanvang van de dienstbetrekking.
Het recht op ziekengeld van de werknemer, bedoeld in onderdeel c,
ontstaat niet eerder dan zijn recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
4.De werknemer die recht heeft op een uitkering op
grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en ten aanzien
van wie een dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3, 4 of 5, bij diens
werkgever wordt voortgezet nadat dat recht is vastgesteld, heeft vanaf
de eerste dag van zijn ongeschiktheid tot werken recht op ziekengeld
over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die zijn
aangevangen in de vijf jaren na vaststelling van het recht op
uitkering.
5.Het ziekengeld, bedoeld
in het eerste, derde en vierde lid, bedraagt 70% van het dagloon van de
verzekerde.
6.In afwijking van het
vijfde lid wordt het ziekengeld in het tijdvak van 52 weken vanaf de
eerste dag van ongeschiktheid tot werken van de werknemer, bedoeld in
artikel 3, op verzoek van de werkgever gesteld op het dagloon, met dien
verstande dat het ziekengeld niet meer kan bedragen dan de aanspraak
van de werknemer op het loon dat de werkgever verschuldigd zou zijn,
indien daarop geen ziekengeld in mindering zou zijn gebracht. Indien de werknemer
op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek over de
eerste twee dagen van het tijdvak, bedoeld in de eerste zin, geen recht
op loon heeft, wordt, in afwijking van de eerste zin, het ziekengeld
over elk van deze dagen gesteld op de hoogte van het ziekengeld op de
dag direct volgend op die twee dagen. Voor het
bepalen van het tijdvak van 52 weken zijn de tweede en derde zin van
artikel 29, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
9.Ter uitvoering
van het tweede lid wordt op verzoek van het college van burgemeester en
wethouders, bedoeld in dat lid, de aanwezigheid van een structurele
functionele beperking vastgesteld. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld voor het tweede lid en dit lid in
ieder geval met betrekking tot de gegevens, die bij de aanvraag worden
verstrekt en de kosten die voor de beoordeling van de aanvraag bij de
aanvrager in rekening worden
gebracht.
11.Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt op verzoek van
de werknemer of de persoon die verwacht een dienstbetrekking met een
werkgever te zullen aangaan een verklaring of de aanvrager naar het
oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voldoet
aan de voorwaarden voor toepassing van het eerste lid, onderdeel d of
e.
Artikel 29c.
Jurisprudentie
Indien ten aanzien van een werknemer als bedoeld
in de artikelen 29b en 90 van deze wet bij aanvang van het
dienstverband wordt vastgesteld dat hij lijdt aan een ziekte of een
gebrek die respectievelijk dat maakt dat hij binnen de in artikel 29b,
eerste en vierde lid, van deze wet bedoelde termijn van vijf jaren na
aanvang van de dienstbetrekking respectievelijk na vaststelling van het
recht op uitkering een aanzienlijk verhoogd risico heeft op ernstige
gezondheidsklachten, wordt die termijn van vijf jaar voor afloop
daarvan verlengd, indien op dat moment de ziekte of het gebrek dan wel
het verhoogde risico op ernstige gezondheidsklachten naar het oordeel
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nog
bestaat.
Artikel 29d.
1.De
werknemer die is geboren voor 8 juli 1954 en die onmiddellijk
voorafgaand aan een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3, 4
of 5 gedurende ten minste 52 weken recht had op een uitkering op
grond van hoofdstuk II van de Werkloosheidswet, heeft vanaf de eerste
dag van zijn ongeschiktheid tot werken wegens ziekte recht op
ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte
die zijn aangevangen in de vijf jaren na aanvang van zijn
dienstbetrekking. Voor het bepalen van de perioden van ongeschiktheid
tot werken wegens ziekte is artikel 29, vijfde lid, tweede en derde
zin, van overeenkomstige toepassing. De uitbetaling van het ziekengeld,
bedoeld in de eerste zin, vindt niet eerder plaats dan de eerste dag
van de veertiende week van de ongeschiktheid tot werken.
3.In
afwijking van het tweede lid wordt het ziekengeld in het tijdvak van 52
weken vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte
van de werknemer, bedoeld in artikel 3, op verzoek van de werkgever
gesteld op het dagloon, met dien verstande dat het ziekengeld niet meer
kan bedragen dan de aanspraak van de werknemer op het loon dat de
werkgever verschuldigd zou zijn, indien daarop geen ziekengeld in
mindering zou zijn gebracht.
5.Voor het
bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden
onderbrekingen van het recht op uitkering op grond van de
Werkloosheidswet van ten hoogste
vier weken gelijkgesteld met perioden
waarin de werknemer recht had op een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet.
Artikel 29e.
-
1.In afwijking van de artikelen 29, zevende en achtste lid, 29a, eerste, tweede en vierde lid, 29b, vijfde lid, en 29d, tweede lid, bedraagt het ziekengeld van de verzekerde, die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, zwangerschap of bevalling, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet:
a.gedurende een periode van drie maanden 70% van het dagloon;
b.na afloop van de periode, bedoeld in onderdeel a, 0,7 * (M – I), waarbij M staat voor het minimumloon of het dagloon in het geval het minimumloon per dag hoger is dan het dagloon en I voor het inkomen.
2.De periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt verlengd met een maand voor ieder volledig kalenderjaar dat het arbeidsverleden de duur van drie kalenderjaren overstijgt.
4.De duur van de periode waarin het ziekengeld op grond van het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 70% van het dagloon bedraagt, wordt verminderd met de duur van de tot de eerste dag waarop ziekengeld wordt uitgekeerd, ontvangen loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet, indien de verzekerde voor de toepassing van deze wet op grond van de artikel 7 als verzekerde werd beschouwd onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken.
5.In afwijking van het vierde lid is de duur van de periode waarin het ziekengeld op grond van het eerste lid, onderdeel a, 70% van het dagloon bedraagt ten minste drie maanden, indien de verzekerde ziekengeld ontvangt op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, of artikel 29a.
6.Artikel 31, tweede lid, is na afloop van de periode, bedoeld in onderdeel a en het tweede lid, niet van toepassing.
7.Voor het bepalen van de periode van drie maanden, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van ongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
8.Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.
Artikel 29f.
2.Een kalenderjaar wordt in aanmerking genomen bij de berekening, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, indien volgens de informatie als bedoeld in artikel 33d van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de werknemer in dat jaar over 52 of meer dagen respectievelijk 208 of meer uren loon heeft ontvangen waarbij voor 1 januari 2013 52 of meer dagen bepalend is en vanaf 1 januari 2013 208 of meer uren.
-
3.Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen a en b, worden met dagen waarover loon is ontvangen of met acht uren, gelijkgesteld:
a.dagen waarover recht bestond op een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of met een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen voor zover deze uitkering wordt toegekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% respectievelijk wordt toegekend over periodes waarin de verzekerde slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur;
b.dagen waarover een persoon een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend.
4.Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen a en b, worden niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren waarin een persoon recht heeft op kinderbijslag op grond van artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet of een andere gezinsbijslag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel j, van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels (PbEU L166) voor een tot zijn huishouden behorend kind dat bij de aanvang van dat kalenderjaar de leeftijd van vijf jaar niet heeft bereikt, voor de helft gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen respectievelijk 208 of meer uren loon is ontvangen, waarbij voor 1 januari 2013 52 of meer dagen bepalend is en vanaf 1 januari 2013 208 of meer uren. De in de eerste zin bedoelde persoon wordt aangemerkt als verzorgend persoon.
5.In afwijking van het vierde lid worden over de periode tot 1 januari 2005, waarin een persoon recht heeft op kinderbijslag op grond van artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet of een andere gezinsbijslag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel j, van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels (PbEU L166) voor een tot zijn huishouden behorend kind dat bij de aanvang van dat kalenderjaar de leeftijd van vijf jaar niet heeft bereikt, gelijkgesteld met, en worden dergelijke kalenderjaren over de periode van 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 voor drie kwart gelijkgesteld met, kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen respectievelijk over 208 of meer uren loon is ontvangen waarbij voor 1 januari 2013 52 of meer dagen bepalend is en vanaf 1 januari 2013 208 of meer uren.
6.Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen a en b, worden niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren vanaf en met in begrip van een bij ministeriële regeling nader te bepalen kalenderjaar, waarin een persoon inkomsten ontvangt voor het verlenen van zorg op grond van een regeling voor persoonsgebonden budget, die is gegrond op artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of op artikel 5, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, of die voldoet aan artikel 14a van de Zorgverzekeringswet, voor de helft gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen respectievelijk 208 of meer uren loon is ontvangen, waarbij voor 1 januari 2013 52 of meer dagen bepalend is en vanaf 1 januari 2013 208 of meer uren, tenzij hij deze inkomsten ontvangt uit arbeid als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Ziektewet. De eerste zin is uitsluitend van toepassing indien de in de eerste zin bedoelde persoon aantoont dat deze zorgverlening aan deze voorwaarden voldoet of heeft voldaan. Die persoon wordt aangemerkt als verzorgend persoon. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van dit lid.
7.Het vierde, vijfde en zesde lid vinden geen toepassing indien de verzorgende persoon in een kalenderjaar voor een periode langer dan een half jaar als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid of op de loongerelateerde uitkering op grond van hoofdstuk 7 van deze wet.
9.Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen a en b, worden dagen, tot een maximum van achttien maanden, waarover de werknemer onbetaald verlof heeft genoten, gelijkgesteld met dagen, waarover loon is ontvangen of met acht uren waarover loon is ontvangen.
13.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter vaststelling van het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid.
Artikel 29g.
Artikel 30.
Jurisprudentie
2.Weigert
de werknemer die aanspraak maakt op ziekengeld zonder deugdelijke grond
de arbeid, bedoeld in het eerste lid, te verrichten, dan wordt het loon
dat hij zou hebben ontvangen indien hij deze arbeid wel verricht had,
beschouwd als inkomen als bedoeld in artikel 31, eerste
lid.
4.Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de door hem daartoe
aangewezen deskundige kunnen degene aan wie ziekengeld is toegekend
voorschriften geven in het belang van een behandeling of van genezing
dan wel voorzover dit voortvloeit uit de taak, bedoeld in artikel 30
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, tot
behoud, herstel en bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten
van
arbeid.
5.Als
passende arbeid als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd alle
arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is
berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke
of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passende
arbeid wordt beschouwd arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale
werkvoorziening.
Artikel 30aa.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waarbij bepaalde groepen werknemers worden vrijgesteld van verplichtingen, hun op grond van de artikelen 29g en 30, eerste lid, opgelegd.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aan werknemers in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend van verplichtingen, hun op grond van artikel 30, eerste lid, opgelegd.
Artikel 30a.
Jurisprudentie
Artikel 30b.
1.De intrekking of verlaging van een uitkering, die voortvloeit uit het
door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep, vindt niet eerder plaats dan de
dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de
uitspraak is gedaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval
van intrekking van het bezwaar of beroep omdat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het
bezwaar of beroep van de werkgever.
Artikel 31.
Jurisprudentie
3.Bij
algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen als
bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden
bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet
langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig
handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof
het wel volledig wordt genoten.
Artikel 33.
Jurisprudentie
1.Het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in
artikel 30,
tweede lid, 30a of
45 onverschuldigd
is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is
betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen teruggevorderd.
3.De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid, of 49.
7.In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister
kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien
het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te
stellen bedrag niet te boven gaat.
Artikel 33a.
Jurisprudentie
1.Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd
betaalde uitkering, bedoeld in artikel 33, eerste lid, invorderen bij
dwangbevel.
Artikel 33b.
Jurisprudentie
Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de
beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is
betaald.
Artikel 34.
-
1.In
afwijking van artikel 33, eerste lid, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, op verzoek van de werknemer, besluiten
gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere
terugvordering af te zien bij medewerking aan een schuldregeling,
indien:
a.redelijkerwijs
te voorzien is dat de werknemer niet zal kunnen voortgaan met het
betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij
heeft opgehouden te
betalen;
b.redelijkerwijs
te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle
vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van
de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal
komen;
c.de vordering
van het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen wegens
onverschuldigde betaling ten minste zal worden voldaan naar
evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke
rang;
d.een naar het
oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van
een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het
consumentenkrediet;
e.aannemelijk
is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt; en
f.uitdeling
in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel
349 van de Faillissementswet.
2.Het
eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door
het niet nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in
artikel 31, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 45a is
opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die
verplichting aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van
Strafrecht.
Artikel 34a.
Een
vordering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als
bedoeld in de artikelen 33 en 34 is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld
in artikel 288 van Boek 3 van het
Burgerlijk
Wetboek.
Artikel 35.
Jurisprudentie
-
1.Na het overlijden van degene, aan wie ziekengeld is
toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden,
ziekengeld in de vorm van een overlijdensuitkering
uitbetaald:
a.aan de langstlevende van de echtgenoten;
b.bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de
minderjarige kinderen tot wie de overledene in
familierechtelijke betrekking stond;
c.bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen
met wie de overledene in
gezinsverband leefde.
3. In verband met het overlijden van degene aan wie ziekengeld
is toegekend, is artikel 29,
vierde lid, niet van toepassing.
Artikel 36.
1.In de gevallen, waarin op de dag van het overlijden van de
verzekerde of van degene die verzekerd is geweest, nog geen
ziekengeld is toegekend omdat aan het overlijden geen
periode van arbeidsongeschiktheid voorafging of artikel 29, tweede lid, onderdeel d,
onder 1°, van toepassing was, dient de
uitbetaling als bedoeld in artikel 35,
eerste lid, plaats te vinden, alsof hem met ingang van de
dag na het overlijden ziekengeld is toegekend.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt onder degene
die verzekerd is geweest uitsluitend verstaan degene die,
ware hij niet overleden, doch arbeidsongeschikt geworden,
nog aanspraak op ziekengeld had kunnen ontlenen aan
artikel 46.
Artikel 37.
1.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd
verzekerden bij ongeschiktheid tot het verrichten van hun
arbeid wegens ziekte op te roepen en te ondervragen op
plaats, dag en uur, door hem te bepalen.
2. Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt,
mede hun geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en
tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels, door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vast te
stellen.
Artikel 38.
Jurisprudentie
1.De werkgever van de verzekerde die bij ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op loon als bedoeld in
artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van
artikel 76a, eerste
lid, doet, uiterlijk op de eerste dag nadat de
ongeschiktheid van die werknemer 42 weken heeft geduurd, aangifte van die
ongeschiktheid bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De
werkgever geeft daarbij de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken op. Voor
het bepalen van het tijdvak van 42 weken worden tijdvakken van
ongeschiktheid tot werken samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij
direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in
verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste
lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak. Bij de vaststelling van het tijdvak van 42
weken blijven perioden, waarin
uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, van de Wet arbeid en
zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
2. Onverminderd het eerste lid doet de werkgever van de verzekerde,
bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel c,
aangifte van de ongeschiktheid tot werken van die verzekerde aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op de laatste werkdag voordat de
dienstbetrekking eindigt. Indien tussen de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken en de laatste
werkdag, bedoeld in de eerste zin, ten minste zes weken is gelegen stelt de
werkgever, die geen
eigenrisicodrager is,
uiterlijk op die laatste werkdag in overleg met de werknemer een reïntegratieverslag
op en verstrekt de werkgever hiervan een afschrift aan de werknemer. De werknemer verstrekt op diens verzoek
het reïntegratieverslag aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen beoordeelt of de werkgever en de werknemer in redelijkheid
hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen, die zijn verricht.
3.Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke
boete op van ten hoogste € 455 indien de werkgever de
verplichting, bedoeld in het eerste lid, of in de eerste zin van het
tweede lid, niet of niet
behoorlijk is nagekomen. De artikelen 45a, achtste tot en met elfde lid, en 45g, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
4.Dit
artikel is, met uitzondering van de tweede, derde en vierde zin van het
tweede lid en het zesde en zevende lid, niet van toepassing op de
verzekerde, die aanspraak maakt op ziekengeld op grond van artikel 29,
tweede lid, onderdeel e, f of g, en de werkgever van die verzekerde.
Bij de toepassing van het zesde en zevende lid wordt voor «de
behandeling van de aangifte, bedoeld in het tweede lid» gelezen
«de beoordeling, bedoeld in de vierde zin van het tweede
lid».
5.Bij
ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de aangifte van de ongeschiktheid tot het verrichten van
arbeid, bedoeld in het eerste lid, en met betrekking tot het tweede
lid.
6.Indien bij de behandeling van de aangifte, bedoeld in het tweede lid,
blijkt dat de werkgever zijn verplichting om een reïntegratieverslag
op te stellen niet of niet volledig is nagekomen, stelt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de werkgever een termijn waarbinnen het reïntegratieverslag
wordt verstrekt of aangevuld.
7.Indien bij de
behandeling van de aangifte, bedoeld in het tweede lid, blijkt dat de
werknemer zijn verplichting tot het verstrekken van het
reïntegratieverslag aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen niet of niet volledig is nagekomen, stelt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de werknemer een
termijn waarbinnen het reïntegratieverslag wordt verstrekt
onderscheidenlijk
aangevuld.
Artikel 38a.
Jurisprudentie
1.De verzekerde die een werkgever heeft als
bedoeld in de eerste afdeling, paragraaf 3, en die aanspraak maakt op
ziekengeld is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte verplicht dit op de tweede dag van die
ongeschiktheid te melden aan zijn
werkgever.
3.In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, meldt de werkgever de eerste werkdag
waarop de verzekerde wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van
zijn arbeid, uiterlijk op de eerste dag na zes weken gerekend vanaf die
eerste werkdag, indien de verzekerde aanspraak maakt op ziekengeld op
grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, artikel 29a, eerste lid,
of artikel 29b. In afwijking van de vorige volzin meldt de werkgever de
eerste werkdag waarop de verzekerde wegens ziekte ongeschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid op de laatste dag van de dienstbetrekking,
indien de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in de vorige zin,
eindigt.
4.Indien de verzekerde na
een ziekmelding als bedoeld in het eerste lid weer geschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid, meldt hij aan de werkgever uiterlijk de
tweede dag van die geschiktheid, de eerste dag waarop hij weer geschikt
is tot het verrichten van zijn
arbeid.
5.De werkgever meldt na
ontvangst van de in het vierde lid bedoelde melding, aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk op de tweede dag
na de hersteldmelding door de verzekerde, de eerste dag waarop die
verzekerde weer geschikt is tot het verrichten van zijn
arbeid.
8.Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke
boete op van ten hoogste € 455 indien de werkgever de
verplichting, bedoeld in het tweede, derde, vijfde, zesde of zevende lid, niet of niet
behoorlijk is nagekomen. De artikelen 45a, achtste tot en met elfde lid, en 45g, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
9.Indien de
werkgever de melding, bedoeld in het tweede of derde lid, niet tijdig
doet, kent het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het
ziekengeld met terugwerkende kracht toe over de verstreken periode,
doch ten hoogste over een
jaar.
Artikel 38ab.
1.Indien de verzekerde die aanspraak maakt op
ziekengeld geen werkgever heeft als bedoeld in de eerste afdeling,
paragraaf 3, is deze in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van
zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit op de tweede dag van die
ongeschiktheid te melden aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
2.Indien de
verzekerde, na een ziekmelding als bedoeld in het eerste lid weer
geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, meldt hij aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk de
tweede dag
van die geschiktheid, de eerste dag waarop hij weer geschikt is tot het
verrichten van zijn
arbeid.
Artikel 38b.
Jurisprudentie
2.Indien de
werkgever de melding, bedoeld in artikel 38a, tweede of derde lid, niet
binnen de in die artikelleden genoemde termijn heeft gedaan doordat
niet duidelijk was dat de werknemer aanspraak op ziekengeld kan maken
op grond van artikel 29a of 29b, meldt de werkgever de eerste werkdag
waarop die werknemer wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van
zijn arbeid zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan de
vierde dag na het tijdstip waarop het hem redelijkerwijs duidelijk kan
zijn dat de werknemer aanspraak op ziekengeld kan maken op grond van
artikel 29a of 29b. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kent alsdan het ziekengeld met terugwerkende
kracht over de verstreken periode, doch ten hoogste over een jaar,
toe.
3.In
afwijking van artikel 38a, tweede lid, meldt de werkgever, indien een
mogelijke aanspraak op grond van artikel 29d bestaat, uiterlijk op de
vierde dag nadat dertien weken van ongeschiktheid tot het verrichten
van arbeid wegens ziekte van de werknemer zijn verstreken, aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de eerste werkdag waarop
die werknemer wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn
arbeid.
Artikel 39.
Jurisprudentie
1.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verricht
bij verzekerden van wie op grond van artikel 38,
tweede lid of 38a een aangifte van ziekte of van
wie een ziekmelding is ontvangen, controle op het bestaan
van ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens
ziekte en hij beoordeelt bij gebleken ongeschiktheid of de
werkgever zijn taak met betrekking tot verzuimbegeleiding op
adequate wijze uitoefent.
3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd
zijn controlebevindingen mee te delen aan de werkgever tot
wie de aan controle onderworpen werknemer in
dienstbetrekking staat. Het deelt de werkgever op diens
verzoek mee of een bepaalde, tot hem in dienstbetrekking
staande werknemer volgens de gegevens die het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ter beschikking
staan geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
4.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa, vast, en controleert of de verzekerde, bedoeld in artikel 19aa, eerste lid, recht heeft op ziekengeld.
Artikel 39a.
Jurisprudentie
1.Indien bij de behandeling van de aangifte of de beoordeling, bedoeld in
artikel 38, tweede lid, blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn
verplichtingen op grond van de tweede zin van dat lid of artikel
71a, eerste, tweede, of vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
dan wel de krachtens het zevende lid van dat artikel gestelde regels of op grond van artikel 25, eerste, tweede,
of vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel
de krachtens het zevende lid van dat artikel gestelde
regels, niet
of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft
verricht, verhaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op die
werkgever het ziekengeld, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering
verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel
42 van de
Zorgverzekeringswet, dat zal worden betaald over een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
vast te stellen tijdvak. Dit
tijdvak vangt aan op de eerste dag van ongeschiktheid tot werken nadat
de dienstbetrekking is geëindigd en wordt afgestemd op de
periode waarin de werkgever de in de vorige volzin bedoelde
verplichtingen of regels niet is nagekomen of onvoldoende
reïntegratie-inspanningen heeft verricht. Het tijdvak bedraagt
ten hoogste 52 weken. Indien binnen het door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde tijdvak een
periode van ongeschiktheid tot werken gedurende een periode van vier
weken of meer wordt onderbroken door geschiktheid tot werken, wordt het
ziekengeld over de periode van ongeschiktheid tot werken die is gelegen
na die vier weken of meer weken, niet verhaald op de werkgever, bedoeld
in de eerste zin. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
stelt regels met betrekking tot het vaststellen van het in de tweede
zin bedoelde tijdvak. Deze regels behoeven de goedkeuring van Onze
Minister.
2.Indien de werkgever, bedoeld in het eerste lid, niet meer bestaat, wordt
voor de toepassing van het eerste lid onder werkgever verstaan de rechtsopvolger
van die werkgever. De eerste zin is niet van toepassing met betrekking tot
de rechtsopvolger na faillissement.
Artikel 39b.
1.Een
beschikking tot verhaal van uitkering, premies en vergoeding als bedoeld in artikel
39a, eerste lid, wordt niet meer gegeven indien meer dan vijf jaren
sedert het einde van het kalenderjaar zijn verstreken, waarin zij zijn
betaald of afgedragen.
Artikel 39c.
Jurisprudentie
De
vordering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wegens
verhaal als bedoeld in artikel 39a, eerste lid, is bevoorrecht op alle
goederen van de werkgever en gaat boven alle andere voorrechten met
uitzondering van die van de artikelen 287 en 288 onder a, alsmede dat
van artikel 284 van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek.
Artikel 40.
1.Indien de degene aan
wie ziekengeld is toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of
vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg
verschuldigd is, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
bevoegd het ziekengeld tot het bedrag van die bijdrage in plaats van
aan degene aan wie het ziekengeld is toegekend, zonder diens machtiging
uit te betalen aan het College voor zorgverzekeringen, genoemd in
artikel 58, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet.
2. Indien degene, aan wie ziekengeld is toegekend, in een
inrichting ter verpleging van geesteszieken of van
zwakzinnigen is opgenomen en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, van de desbetreffende inrichting of
van het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek
ontvangt om het ziekengeld aan die inrichting of die
gemeente uit te betalen, is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bevoegd dat verzoek zonder het
stellen van andere voorwaarden in te willigen.
3. Indien het eerste lid toepassing vindt, heeft de in het
tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte
van het ziekengeld, dat niet aan het College voor
zorgverzekeringen wordt uitbetaald.
Artikel 41.
Jurisprudentie
Artikel 43.
De verzekerde, aan wie een ontheffing wegens gemoedsbezwaren als bedoeld in artikel 64 van de Wet
financiering sociale
verzekeringen is verleend, komt geen
ziekengeld toe.
Artikel 45.
Jurisprudentie
3.Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan
met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet
tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 31, eerste lid,
38, tweede lid, derde zin, of 49, indien het niet tijdig nakomen
van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een
te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet tijdig nakomen
van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te
rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige
waarschuwing is gegeven.
7.Onder
benadeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, wordt mede
verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft
nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een
beëindiging van de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in
artikel 29, eerste lid.
8.Indien aan de persoon, bedoeld in artikel 29,
tweede lid, onderdeel d, aanhef en onder 1°, in de eerste
dertien weken van zijn ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte een maatregel op grond van artikel 27, vierde lid,
van de Werkloosheidswet is opgelegd, wordt de beschikking waarbij die
maatregel is opgelegd vanaf de eerste dag van de veertiende week van
zijn ongeschiktheid of zoveel eerder als de uitkering op grond van de
Werkloosheidswet eindigt op grond van het bepaalde in artikel 20,
eerste lid, onderdelen a, b, d of e, van de Werkloosheidswet, geacht
gebaseerd te zijn op het eerste
lid.
Artikel 45a.
Jurisprudentie
1.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde van de verplichting, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid, of 49. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.
2.In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid of 49, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan ziekengeld is ontvangen.
4.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde van de verplichting, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid of 49, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde een zodanige waarschuwing is gegeven.
5.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde van de verplichting, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid, of 49, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan ziekengeld is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
6.Onder eenzelfde gedraging als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid, of 49 van deze wet, 12 van de Toeslagenwet, 25 van de Werkloosheidswet, 12, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, of 27, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering, ziekengeld of toeslag is verleend.
7.In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de verzekerde is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Artikel 45g.
Jurisprudentie
Artikel 45h.
1.Bij de verrekening, bedoeld in artikel 45g, eerste lid, wordt de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 45a, vijfde lid, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verrekend gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.
2.Artikel 45g, eerste lid, en het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel 45a, zesde lid, indien en voor zover op het moment van verrekening, bedoeld in het eerste lid, de bestuurlijke boete door de overtreder niet is betaald.
3.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op verzoek van de overtreder besluiten het eerste lid en tweede lid niet of niet meer toe te passen indien, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
4.De voorgaande leden laten de verrekening van de bestuurlijke boete op grond van artikel 45g, eerste lid, na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onverlet.
5.Indien als gevolg van de verrekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand wordt toegekend, wordt bij de verrekening een bij ministeriële regeling bepaald deel van de uitkering op grond van deze wet vrijgelaten in verband met zorgkosten, woonkosten en de kosten van kinderen. Het vrij te laten deel van de uitkering kan afhankelijk worden gesteld van de leefsituatie.
Artikel 45i.
Jurisprudentie
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de
verzekerde de uitkering van ziekengeld op grond van deze wet tijdelijk
of blijvend, geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem een
bestuurlijke
boete heeft opgelegd, stelt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen het reïntegratiebedrijf dat ten behoeve
van die verzekerde werkzaamheden gericht op vergroting van de
mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op inschakeling in de
arbeid verricht, van die beschikking in kennis voorzover dat
noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden door het
reïntegratiebedrijf.
Artikel 45j.
Indien voor het vaststellen van het recht op ziekengeld op grond
van deze wet, in het kader van een ziekmelding voor de toekenning van
ziekengeld op grond van deze wet, naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een medisch onderzoek
nodig is en de betrokkene niet meewerkt aan dat onderzoek, blijven
eventuele uit deze wet voortvloeiende aanspraken op ziekengeld op grond
van deze wet buiten beschouwing, voor zolang het recht op ziekengeld
niet kan worden
vastgesteld.
Artikel 46.
Jurisprudentie
1.Degene
die binnen vier weken na het einde van zijn verzekering ongeschikt tot
werken wordt, heeft tegenover het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aanspraak op ziekengeld alsof hij verzekerd was
gebleven. Indien de verzekering berust op een dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 3 ontstaat de in de eerste zin bedoelde aanspraak op
ziekengeld eerst na het eindigen van die
dienstbetrekking.
4. De in het eerste lid bedoelde aanspraak komt mede toe, voor
zover het betreft de toepassing van artikel 29a, aan de vrouw, wier bevalling
waarschijnlijk is, onderscheidenlijk wier bevalling
plaatsvindt binnen een tijdsverloop van tien weken na het
einde van haar verplichte verzekering.
Artikel 47a.
Jurisprudentie
3.Indien
een reïntegratiebedrijf aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat
dat een persoon aan wie ziekengeld is toegekend, onvoldoende
medewerking verleent aan de op hem betrekking hebbende werkzaamheden
van het reïntegratiebedrijf, neemt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een besluit omtrent de gehele of gedeeltelijke
opschorting of schorsing van de betaling van het ziekengeld aan die
persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.
Artikel 48.
Voor zover betreft het in ontvangst nemen van een uitkering
ingevolge deze wet en het verlenen van kwijting voor de
betaling daarvan, wordt een minderjarige met een meerderjarige
gelijkgesteld. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich
tegen de betaling aan de minderjarige schriftelijk verzet bij
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geschiedt de
uitbetaling aan de wettelijke vertegenwoordiger.
Artikel 49.
Jurisprudentie
De verzekerde is verplicht aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen
beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen
zijn op het recht op of de hoogte van een door hem aangevraagde
of aan hem toegekende ziekengelduitkering. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en
omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als
authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij
ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij
ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de
tweede zin van toepassing is.
Artikel 50.
Artikel 51.
Het Rijk is niet aansprakelijk voor het doen van uitkeringen of
de verstrekking van bijdragen als bedoeld in artikel 59.
Artikel 52.
Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de
verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake
van zijn ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, houdt de
rechter rekening met de aanspraken, die hij krachtens deze wet
heeft.
Artikel 52a.
Jurisprudentie
1.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft voor de
krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die in verband met het
veroorzaken van ongeschiktheid tot werken jegens de verzekerde naar burgerlijk
recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag,
waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar
burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan
dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon
jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
3.De in
het eerste lid bedoelde aansprakelijke is eveneens verplicht tot
vergoeding van de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
of de eigenrisicodrager gemaakte redelijke kosten ter nakoming van de
verplichtingen tot inschakeling in de arbeid van de verzekerde, die op
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de
eigenrisicodrager rusten op grond van deze wet en de daarop berustende
bepalingen alsmede de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen en de daarop berustende bepalingen. De aansprakelijke kan
hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de verzekerde ten dienste zou
hebben
gestaan.
Artikel 52b.
1.Het bepaalde in het vorige artikel geldt ten aanzien van de
naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte
werkgever van de verzekerde, onderscheidenlijk ten aanzien
van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte
verzekerde, die in dienstbetrekking staat tot dezelfde
werkgever als de verzekerde jegens wie naar burgerlijk recht
verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien de
ongeschiktheid tot werken is te wijten aan opzet of bewuste
roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk
verzekerde.
Artikel 52c.
Jurisprudentie
Hoofdstuk IIA - Reïntegratie-instrumenten
Artikel 52e. Proefplaatsing
Jurisprudentie
1.Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan, in het kader van de bevordering van de
inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan de persoon aan wie
ziekengeld is toegekend, om op een proefplaats bij een werkgever
gedurende maximaal zes maanden onbeloonde werkzaamheden te
verrichten.
4.Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste
lid, wegens ziekte worden onderbroken, wordt de periode van
onderbreking, voor de toepassing van dat lid buiten beschouwing
gelaten.
Artikel 52f. Nadere regels m.b.t. aanvraag
proefplaatsing
Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag van
toestemming als bedoeld in artikel
52e.
Hoofdstuk III - Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
Artikel 53.
In de uitvoering van deze wet wordt voorzien door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Artikel 54.
Artikel 55.
Artikel 59.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat in
bij die maatregel aan te wijzen gevallen aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de bevoegdheid
wordt verleend, te bepalen, dat aan een of meer bij hem
verzekerde groepen van werknemers, met inachtneming van bij die
maatregel te stellen regels, behalve het in deze wet geregelde
ziekengeld andere uitkeringen worden gedaan of bijdragen worden
verstrekt voor een of meer sociale fondsen.
Artikel 60.
Jurisprudentie
De uitkeringen op grond van deze wet komen ten laste van de
sectorfondsen en ten laste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds, bedoeld in de artikelen 94 en 93 van de Wet financiering sociale
verzekeringen.
Artikel 61.
Jurisprudentie
2.In afwijking van het eerste lid en artikel 60
komen de uitgaven en de kosten verbonden aan de verstrekking van
uitkeringen en aan de reïntegratie van personen als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, onderdelen i en j, alsmede de op grond van enige
wet over deze uitkeringen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verschuldigde premies die niet op deze
uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel
42 van de
Zorgverzekeringswet, ten laste van het
Rijk.
Artikel 62.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt,
volgens nadere bij ministeriële regeling vast te stellen regels,
uit de door dit instituut gevoerde administratie aan een daartoe
door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar,
gegevens omtrent het ziekteverzuim van werknemers.
Hoofdstuk IIIA - Eigenrisicodragen door de
werkgever
Artikel 63a.
Jurisprudentie
1.De eigenrisicodrager verricht met betrekking tot de personen,
bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die
laatstelijk tot hem in dienstbetrekking
stonden, de
werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van deze wet
inzake uitkeringen, met uitzondering van besluiten op grond van
artikel 45a en besluiten op grond van
bezwaar of beroep. De eigenrisicodrager begeleidt de personen, bedoeld in artikel 29,
tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking
stonden, bij gebleken
ongeschiktheid als zou hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot de
eigenrisicodrager staan, met toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen
dan wel
artikel 71b, derde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2.Bij de uitvoering van het eerste lid treedt de eigenrisicodrager voor
de toepassing van de
artikelen 28, eerste lid, 29g, tweede lid,
30, derde lid,
37, eerste lid, en
39, eerste en tweede lid, in de plaats
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De eerste zin blijft
buiten toepassing voorzover noodzakelijk voor het verrichten van werkzaamheden
op grond van het vierde of vijfde lid door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
3.De eigenrisicodrager betaalt het door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen toegekende ziekengeld namens het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de personen,
bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die
laatstelijk tot hem in dienstbetrekking
stonden. Indien de
eigenrisicodrager het ziekengeld niet betaalt, wordt dit betaald door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verhaalt het ziekengeld, alsmede de op grond van enige
wet over deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in
mindering kunnen worden gebracht en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel
42 van de
Zorgverzekeringswet, op de eigenrisicodrager.
4.Op verzoek van een eigenrisicodrager verricht het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de werkzaamheden als bedoeld in de eerste zin van het
eerste lid, of onderdelen hiervan. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen brengt de kosten daarvan, alsmede de kosten die
voortvloeien uit het derde lid, in rekening bij de eigenrisicodrager.
5.Indien de eigenrisicodrager werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid
naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet,
niet voldoende of niet juist verricht, verricht het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen die werkzaamheden. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen brengt de kosten daarvan, alsmede de kosten die
voortvloeien uit het derde lid, in rekening bij de eigenrisicodrager.
Artikel 63b.
Jurisprudentie
2.Indien het zelf dragen van het risico eindigt of wordt beëindigd blijft
de werkgever ten aanzien van een persoon het risico, bedoeld in
artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering
sociale verzekeringen, dragen,
voorzover de eerste dag van ongeschiktheid tot werken is gelegen voor het einde
van het eigenrisicodragen. Indien de werkgever in staat van faillissement is
verklaard, of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing is verklaard, dan wel indien hij ophoudt werkgever te
zijn, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het ziekengeld.
3.In geval van overgang van een onderneming in de zin van
artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij
faillissement, waarbij de werkgever die de onderneming overdraagt
eigenrisicodrager is, gaat het risico van de betaling van ziekengeld dat is of
wordt toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot
werken in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft
overgedragen alsmede aan degene die op grond van
artikel 46 van deze wet aanspraak op
ziekengeld heeft en laatstelijk voor het einde van de verzekering tot
voornoemde werkgever in dienstbetrekking stond, over op de werkgever die de
onderneming verkrijgt, ook indien deze geen eigenrisicodrager is.
Artikel 63c.
1.De eigen risicodrager neemt ter zake van de begeleiding van zijn zieke werknemers artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van de Arbeidsomstandighedenwet in acht en legt bij de aanvraag, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen, een afschrift over van de schriftelijke vastlegging, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de eerstgenoemde wet.
3.De toestemming, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen kan, onverminderd het tiende lid van dat artikel, door de inspecteur, bedoeld in artikel 1 van de Wet financiering sociale verzekeringen, zonder aanvraag van de werkgever met onmiddellijke ingang bij voor bezwaar vatbare beschikking worden beëindigd, indien de werkgever zich met betrekking tot de begeleiding van zijn zieke werknemers niet meer laat bijstaan door een persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, of een arbodienst als bedoeld in die wet.
Artikel 63d.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de ongeschiktheid tot werken
geacht niet te zijn onderbroken, indien de tijdvakken van ongeschiktheid tot
werken elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan
aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met
zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of
3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak.
Hoofdstuk IV - De vrijwillige verzekering
Artikel 64.
Jurisprudentie
-
1.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is
verplicht overeenkomstig het bij of krachtens dit hoofdstuk
bepaalde tot de vrijwillige verzekering toe te laten, mits
hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt en hier
te lande woont:
a.degene, wiens verplichte verzekering is geëindigd en
te wiens aanzien op grond van gebleken
omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen,
dat onderbreking van die verplichte verzekering van
korte duur zal zijn, dan wel dat het zijn bedoeling
is bij geboden gelegenheid opnieuw een
dienstbetrekking aan te gaan;
-
b.degene, die, terwijl hij hier te lande woonde, in
het buitenland verplicht verzekerd was tegen
geldelijke gevolgen van ziekte, mits:
1°.hij niet meer in het buitenland verzekerd
is, omdat hij niet langer werkzaamheden
verricht in het buitenland;
2°.op grond van gebleken omstandigheden
redelijkerwijze valt aan te nemen, dat het
zijn bedoeling is bij geboden gelegenheid
opnieuw een dienstbetrekking aan te gaan;
c.degene, wiens verplichte verzekering is geëindigd en
die als zelfstandige als bedoeld in artikel 4, vijfde
lid, werkzaamheden verricht of gaat verrichten, of als echtgenoot van
die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken in diens
onderneming, indien gedurende één jaar,
onmiddellijk voorafgaande aan het einde van zijn
verplichte verzekering, onafgebroken, al dan niet in
Nederland, bij of krachtens een wettelijke regeling
een voorziening tegen geldelijke gevolgen van ziekte
op hem van toepassing is geweest;
d.degene wiens dienstbetrekking ertoe strekt, dat
slechts een gedeelte van een normale werkweek arbeid
wordt verricht - niet uitsluitend als gevolg van een
voor betrokkene geldende werktijdregeling, krachtens
welke een normale werkweek van gemiddeld minder dan
zes dagen van toepassing is - en die uit hoofde van
die dienstbetrekking verplicht verzekerd is, indien
gedurende de drie jaren, onmiddellijk voorafgaande
aan de dag van aanvang van zijn vrijwillige
verzekering, onafgebroken, al dan niet hier te
lande, ingevolge het bepaalde bij of krachtens een
wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke
gevolgen van ziekte op hem van toepassing is
geweest;
e.degene, wiens arbeidsverhouding op grond van
artikel
6, eerste lid, onderdeel c, niet als dienstbetrekking
wordt beschouwd;
f.degene wiens recht op
een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is
beëindigd;
g.degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering
krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
is toegekend, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%;
h.degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering
krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten
minste 45%, wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid is herzien naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%;
i.degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering
krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten
minste 45%, is ingetrokken;
j.degene, die op grond van artikel
7 als werknemer wordt beschouwd en
tevens als zelfstandige een bedrijf of beroep
uitoefent of gaat uitoefenen of als echtgenoot van
die zelfstandige in dat bedrijf of beroep meewerkt
of gaat meewerken, indien gedurende de drie jaren,
onmiddellijk voorafgaand aan de dag van aanvang van
zijn vrijwillige verzekering, onafgebroken, al dan
niet in Nederland, bij of krachtens een wettelijke
regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen
van ziekte op hem van toepassing is geweest.
-
2. De in het eerste lid bedoelde verplichting bestaat eveneens
ten aanzien van de persoon die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, die op grond
van het bepaalde bij of krachtens artikel 3,
tweede, vierde en vijfde lid, niet als werknemer wordt
beschouwd, en
a.wiens verplichte verzekering is geëindigd en die
buiten Nederland woont, aldaar direct aansluitend op
de beëindiging van de verplichte verzekering een
dienstbetrekking vervult voor de duur van maximaal
vijf jaar en wiens werkgever binnen Nederland woont
of gevestigd is;
b.die Nederlander
is en die is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor door Onze
Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen organisaties voor
ontwikkelingssamenwerking;
c.die Nederlander is en die is uitgezonden om, in of
buiten Nederland, werkzaamheden te verrichten voor
een volkenrechtelijke organisatie, waarvan Nederland
lid is dan wel waarvan de werkzaamheden door
Nederland worden ondersteund;
d.die in Nederland woont, en buiten Nederland een
dienstbetrekking vervult; of
e.die Nederlander is en buiten Nederland werkzaamheden
verricht die worden bekostigd door het Rijk en die
tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in
het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter
uitvoering van een internationaal verdrag dan wel
een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
3. Aan het vervullen van een dienstbetrekking, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, dient
een aaneengesloten periode van verplichte verzekering van
tenminste één jaar te zijn voorafgegaan.
4. Met de Nederlander, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
c en e, wordt gelijkgesteld de persoon, die onderdaan is van
één van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of
onderdaan is van een Staat, waarmee Nederland een verdrag
inzake sociale zekerheid heeft gesloten, mits hij voor hij
werd uitgezonden in Nederland woonde.
Artikel 65.
Artikel 66.
Jurisprudentie
2. De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde personen worden geacht een
verzoek om toelating binnen dertien weken na de
dagtekening van
de beschikking te hebben gedaan, indien dit verzoek geschiedt
binnen vier weken na de dag, waarop zij redelijkerwijze
hebben kunnen kennis nemen van die beschikking.
3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd
te verklaren dat een verzoek om toelating tot de vrijwillige
verzekering, ingediend na de daartoe op grond van deze wet
of de daarop berustende bepalingen gestelde termijn, geacht
wordt tijdig te zijn ingekomen, indien de persoon die het
verzoek heeft gedaan, redelijkerwijs niet geacht kan worden
in verzuim te zijn geweest.
Artikel 67a.
Jurisprudentie
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beëindigt de
vrijwillige verzekering:
a.op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van
een door hem te bepalen datum;
b.met ingang van de dag, waarop de termijn van vijf jaar,
bedoeld in artikel 64,
tweede lid, onderdeel a, is
verstreken;
c.met ingang van de dag, waarop de werkzaamheden bedoeld
in artikel 64,
tweede lid, worden beëindigd en de vrijwillige
verzekerde niet langer geacht kan worden inkomsten te
verkrijgen wegens eindiging van die werkzaamheden dan
wel inkomsten te derven in geval van ziekte
d.met ingang van de dag, waarop de vrijwillig verzekerde
verplicht verzekerd wordt ingevolge deze wet;
e.indien de verschuldigde premie over een periode van twee
volle kalendermaanden niet, niet volledig of niet tijdig
wordt betaald; of
f.indien niet langer wordt voldaan aan andere vereisten
voor toelating tot de vrijwillige verzekering, bedoeld
in artikel 64,
tweede lid.
Artikel 68.
-
1.De persoon, die om toelating tot de vrijwillige verzekering verzoekt,
bedoeld in
artikel 64, eerste en tweede lid,
bepaalt bij de aanvang van de vrijwillige verzekering de hoogte van het
dagloon, met dien verstande dat:
a.dit niet meer kan bedragen dan het in artikel 17, eerste lid, van de Wet
financiering sociale verzekering bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een
dag, eventueel verhoogd of verlaagd
op
grond van artikel
18 van die wet;
b.dit niet meer kan bedragen dan het loon of het inkomen dat hij in
geval van ziekte naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen derft; en
c.dit, ingeval naast de vrijwillige verzekering een vrijwillige
verzekering als bedoeld in
hoofdstuk III van de Werkloosheidswet
is afgesloten, gelijk is aan het dagloon dat ten grondslag ligt aan de
vrijwillige werkloosheidsverzekering.
Artikel 69.
Jurisprudentie
Artikel 70.
Artikel 71.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt nadere
regels met betrekking tot de vrijwillige verzekering. Deze
regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot:
a.de toelating tot de vrijwillige verzekering;
b.het einde van de vrijwillige verzekering; en
c.het dagloon, bedoeld in artikel 68,
eerste lid.
Artikel 72.
Jurisprudentie
Met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk
zijn, met inachtneming van de wijzigingen, welke de aard van het
onderwerp vordert, de overige bepalingen van deze wet en de ter
uitvoering van die bepalingen genomen besluiten, voor zoveel
nodig, van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan in het
bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet is afgeweken.
afdeling Derde - Bepalingen in verband met de
Algemene wet
bestuursrecht en het beroep in cassatie
§ 1 - Algemeen
Artikel 72a.
In
afwijking van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is de
werkgever geen belanghebbende bij een besluit van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen over het verzekerd zijn op
grond van deze wet als bedoeld in artikel 72c, eerste
lid.
Artikel 72b.
Artikel 72c.
Jurisprudentie
2.Een beschikking die uitsluitend betrekking heeft op het al
dan niet bestaan of voortbestaan van de ongeschiktheid tot
werken, waarvoor geen beoordeling als bedoeld in artikel 19ab, eerste lid, nodig is, wordt gegeven binnen vier weken na ontvangst van de
aanvraag, de aangifte van de ongeschiktheid of van de
ziekmelding aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, bedoeld in de artikelen 29a,
vierde lid, 38, tweede lid, artikel 38a, tweede en derde lid, en 38ab, eerste
lid.
Artikel 73.
Jurisprudentie
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de behandeling van bezwaarschriften tegen
besluiten, waaraan een medische beoordeling ten grondslag ligt.
Artikel 73a.
1.Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een beschikking waaraan een verzekeringsgeneeskundige of arbeidskundige beoordeling als bedoeld in artikel 19ab, eerste lid, ten grondslag ligt, beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, binnen eenentwintig weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
2.Indien in verband met het geven van een beslissing op bezwaar een in het buitenland wonende persoon is opgeroepen en om die reden de beslissing op bezwaar niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn gegeven kan worden, wordt de beslissing, in afwijking van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verdaagd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verdaging schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 74.
Jurisprudentie
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht beslist het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen binnen dertien
weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het
indienen van het bezwaarschrift is
verstreken.
§ 2 - Medische besluiten
Artikel 75.
Voor de
toepassing van deze paragraaf wordt verstaan
onder:
Artikel 75a.
Jurisprudentie
Artikel 75b.
1.Indien door de werknemer geen toestemming is
gegeven als bedoeld in artikel 75a, is de inzage in, dan wel kennisname
of toezending van stukken die medische gegevens bevatten, voorbehouden
aan de bedrijfsarts of de arbodienst van de eigenrisicodrager dan wel
aan een gemachtigde van de eigenrisicodrager of van de werkgever die
advocaat of arts is dan wel daarvoor van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bijzondere toestemming heeft
gekregen.
2.De gemachtigde, bedoeld
in het eerste lid, treedt in de plaats van de eigenrisicodrager of van
de werkgever bij de voorbereiding van een medische beschikking
voorzover betrekking hebbend op medische gegevens.
-
3.De arbodienst of de bedrijfsarts dan wel de
gemachtigde, bedoeld in het eerste lid, treedt in de plaats van de
eigenrisicodrager
bij:
voorzover
betrekking hebbend op medische gegevens.
Artikel 75c.
Jurisprudentie
2.Indien de
werknemer geen toestemming heeft gegeven als bedoeld in artikel 75a,
wordt de bijlage, bedoeld in het eerste lid, niet aan de
eigenrisicodrager of de werkgever verstrekt.
Artikel 75d.
Bij de
bekendmaking van een medische beschikking wordt gewezen op de artikelen
75a, 75b, 75c en 75e.
Artikel 75e.
De gronden
van het bezwaar of beroep, bedoeld in artikel 6:5, eerste lid,
onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht, worden in een aparte
bijlage vermeld voorzover ze betrekking hebben op medische
gegevens.
Artikel 75f.
Artikel 75g.
Jurisprudentie
Artikel
75f is van overeenkomstige toepassing bij de behandeling van het hoger
beroep en bij de behandeling van een verzoek om een voorlopige
voorziening.
§ 3 - Geschillen van geneeskundige aard
Artikel 75j.
Jurisprudentie
Deze paragraaf is van toepassing op geschillen van geneeskundige aard
over het al dan niet bestaan of voortbestaan van ongeschiktheid tot werken.
Artikel 75k.
Jurisprudentie
In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt
de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in een geschil als bedoeld
in artikel 75j twee weken, tenzij het geschil betrekking heeft op een beoordeling als bedoeld in artikel 19ab.
Artikel 75l.
Jurisprudentie
-
2.In afwijking van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
en met inachtneming van de overige artikelen van deze paragraaf,
worden in een geschil als bedoeld in artikel 75j het bezwaarschrift en alle
verder op de zaak betrekking hebbende stukken:
a.voorafgaand aan het horen aan belanghebbenden gezonden, dan wel
b.ten minste twee dagen voorafgaand aan de hoorzitting voor belanghebbenden
ter inzage gelegd.
§ 4 - Beroep in cassatie
Artikel 75m.
Jurisprudentie
afdeling Vierde - Aanspraak op bezoldiging en reïntegratieverplichtingen
overheidspersoneel
Artikel 76.
Deze
afdeling is van toepassing op personen
die:
a.in dienst zijn van staat,
provincie, gemeente, waterschap of enig ander publiekrechtelijk
lichaam; en
b.op grond
van de Kaderwet dienstplicht de militaire dienst vervullen dan wel die
op grond van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst zijn verplicht
tot het verrichten van vervangende
dienst.
Artikel 76a.
1.Bij verhindering wegens ongeschiktheid
als gevolg van ziekte, zwangerschap of bevalling om de dienst te
verrichten of het ambt te vervullen bestaat ten aanzien van de
werkgever jegens wie de persoon, bedoeld in artikel 76, krachtens
publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van
arbeid, gedurende een tijdvak van 104 weken aanspraak op 70% van de
bezoldiging, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984, dan wel van hetgeen daarmee overeenkomt,
voorzover deze bezoldiging niet meer bedraagt dan hetgeen overeenkomt
met het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen. De aanspraak bedraagt de eerste 52
weken echter minimaal het bedrag van het minimumloon dat voor
betrokkene zou gelden indien de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag op hem van toepassing zou zijn. De eerste twee
volzinnen zijn van overeenkomstige toepassing voorzover in verband met
ziekte, zwangerschap of bevalling ook na ontslag aanspraak bestaat op
betaling van bezoldiging of van hetgeen daarmee
overeenkomt.
2.Is bezoldiging of
hetgeen daarmee overeenkomt, op een andere wijze dan naar tijdruimte
vastgesteld, dan is deze afdeling van toepassing, met dien verstande
dat als bezoldiging wordt beschouwd de gemiddelde bezoldiging die
betrokkene, wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd
had kunnen verdienen.
5.Voor de toepassing van het eerste en derde lid
worden perioden waarin betrokkene wegens ongeschiktheid ten gevolge van
ziekte, zwangerschap of bevalling verhinderd is om zijn dienst te
verrichten of zijn ambt te vervullen, samengeteld indien zij elkaar met
een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij
direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel
3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak.
Artikel 76b.
-
1.Bij algemeen verbindend voorschrift kan
worden bepaald dat de aanspraak, bedoeld in artikel 76a, eerste lid,
niet bestaat
indien:
a.de ziekte is voorgewend, althans zodanig
overdreven is voorgesteld, dat reden voor verhindering niet kan worden
aangenomen;
b.de ziekte door opzet van
de betrokkene is veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn
psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt;
c.de verhindering het gevolg is van een ziekte of
gebrek waarover betrokkene bij het aangaan van de arbeidsverhouding
opzettelijk valse inlichtingen aan de werkgever jegens wie de persoon,
bedoeld in artikel 76, krachtens publiekrechtelijke aanstelling
gehouden is tot het verrichten van arbeid, heeft
verstrekt.
-
2.Bij
algemeen verbindend voorschrift kan worden bepaald dat de aanspraak,
bedoeld in artikel 76a, eerste lid, vervalt wanneer en voor zolang
betrokkene:
a.weigert zich te onderwerpen aan een onderzoek
vanwege de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen
geneeskundige of, na voor zulk een onderzoek te zijn opgeroepen, zonder
geldige reden niet verschijnt;
b.weigert de volledige medewerking te verlenen aan
een geneeskundig onderzoek, een observatie of een maatregel in het
belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn
arbeidsgeschiktheid, tenzij de maatregel een ingreep van heelkundige
aard mocht zijn;
c.zonder voldoende
gronden nalaat zich onder behandeling van een geneeskundige te stellen
of blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem
door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te
dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep
van heelkundige aard zijn uitgezonderd;
d.zich zodanig gedraagt dat zijn genezing wordt
belemmerd of vertraagd;
e.tijdens de
verhindering dienst te verrichten, voor zichzelf of derden arbeid
verricht tenzij dit door de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk
te stellen geneeskundige in het belang van zijn genezing wenselijk
wordt geacht;
f.in gebreke blijft op
het door de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen
geneeskundige bepaalde tijdstip en in de door deze bepaalde mate zijn
dienst te hervatten, tenzij hij daarvoor een inmiddels opgekomen, door
deze als geldig erkende reden heeft opgegeven;
g.weigert passende arbeid te verrichten welke door
het bevoegd gezag wordt opgedragen en waartoe hij door de
bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen geneeskundige in
staat wordt geacht;
h.zonder
deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel c, of een door hem aangewezen deskundige
gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop
gericht zijn de betrokkene in staat te stellen passende arbeid te
verrichten;
i.zonder deugdelijke grond
weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van
een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 71a, tweede lid, van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
3.Bij algemeen verbindend voorschrift kan worden
bepaald dat de aanspraak, bedoeld in artikel 76a, eerste lid, geheel of
ten dele vervallen kan worden verklaard indien betrokkene de voor hem
terzake van afwezigheid tijdens ziekte gestelde voorschriften
overtreedt.
4.Algemeen verbindende
voorschriften waarin geen speciale regeling is getroffen voor de
aanspraken bij ziekte op bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt
gelden voor de toepassing van 76a, derde lid, als voorschriften waarbij
van artikel 76a, eerste lid, wordt
afgeweken.
Artikel 76c.
De
aanspraak, bedoeld in artikel 76a, eerste lid, wordt verminderd
met:
a.het bedrag van de vergoeding of uitkering welke
betrokkene ontvangt krachtens een wettelijk voorgeschreven
verzekering;
b.het bedrag van
bezoldiging of het loon, door betrokkene in of buiten dienstbetrekking
genoten voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat
hij zijn dienst had kunnen verrichten of zijn ambt had kunnen
vervullen, zo hij daartoe wegens ziekte niet verhinderd was
geweest.
Artikel 76d.
Indien
betrokkene voor de aanvang van zijn dienstbetrekking of ambtsvervulling
een overeenkomst had gesloten tot verzekering van de geldelijke
gevolgen van verhindering tot werken wegens ziekte, mag hij die
overeenkomst voorzover hij daaraan rechten kan ontlenen die
gelijkwaardig zijn aan die welke voor hem uit deze afdeling
voortvloeien, voor het vervolg, echter niet eerder dan met ingang van
de aanvang van de dienstbetrekking of ambtvervulling opzeggen. De door
betrokkene vooruitbetaalde premie wordt door de verzekeraar naar gelang
van het opgezegde gedeelte van de overeenkomst terugbetaald, onder
aftrek van ten hoogste 25% van het terug te betalen bedrag voor
administratiekosten.
Artikel 76e.
1.De werkgever jegens wie de persoon,
bedoeld in artikel 76, krachtens publiekrechtelijke aanstelling
gehouden is tot het verrichten van arbeid, bevordert ten aanzien van de
werknemer, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte
verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de
arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer
kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever, bedoeld in de
eerste volzin, geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert die
werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht
op loon heeft op grond van deze afdeling, artikel 71a, negende lid, van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende
lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de inschakeling
van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een
andere werkgever.
2.Uit hoofde van
de uitoefening van zijn taak, bedoeld in het eerste lid, is de
werkgever, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, verplicht zo
tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te
verstrekken als redelijkerwijs nodig is, opdat de werknemer, die in
verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de
bedongen arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of
andere passende arbeid te verrichten.
4.Onder passende arbeid
als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan alle arbeid die
voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij
aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard
niet van hem kan worden gevergd.
5.De
werkgever, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, en degene, door
wie de werkgever zich op grond van artikel 14 van de
Arbeidsomstandighedenwet laat bijstaan, verstrekken een
re-integratiebedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, gegevens voor zover deze noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van de door de werkgever, bedoeld in het eerste
lid, eerste volzin, aan dit bedrijf opgedragen werkzaamheden, alsmede
het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer van de persoon wiens inschakeling in de arbeid
door dat re-integratiebedrijf wordt bevorderd. Het re-integratiebedrijf
verwerkt deze gegevens slechts voor zover dat noodzakelijk is voor deze
werkzaamheden en gebruikt slechts met dat doel dat burgerservicenummer,
onderscheidenlijk het sociaal-fiscaalnummer, bij die
verwerking.
6.Dit artikel is
van overeenkomstige toepassing op de eigenrisicodrager, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel h, en de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b
en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, gedurende de periode dat de eigenrisicodrager aan die
personen ziekengeld moet
betalen.
afdeling Vijfde - Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk I - Strafbepalingen
Artikel 77.
Hij, die niet voldoet aan een der verplichtingen, omschreven in
artikel 13 wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete
van de tweede categorie.
Artikel 83.
De bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Hoofdstuk II - Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 85.
De termijnen van het ziekengeld, welke niet zijn ingevorderd
binnen twee jaren na de dag der betaalbaarstelling, worden niet
meer uitbetaald.
Artikel 86.
Jurisprudentie
Artikel 15 en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden op de
dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel
A, van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten,
blijven van toepassing op de persoon wiens recht op ziekengeld is ontstaan
voor de datum van inwerkingtreding van dat artikel met betrekking tot die
uitkering.
Artikel 86a.
Ten aanzien van de verzekerde wiens eerste dag van ongeschiktheid
tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen voor het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel IX, onderdelen A en B, van de
Wet wijziging WW-stelsel, blijven de artikelen 29, tweede lid,
onderdeel d, en 36, eerste lid, van toepassing zoals deze luidden op of
voor dat tijdstip, en blijft artikel 29, twaalfde
lid, buiten
toepassing.
Artikel 86b.
De artikelen 19a, derde lid, 19b, tweede lid, 33,
eerste lid, 44 en 47a, tweede lid, onderdeel c, zoals die luidden op de
dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en
vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, blijven van toepassing op
de persoon wiens eerste werkdag waarop door hem wegens ziekte niet is
gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt, is gelegen voor
of op die dag.
Artikel 86c.
1.De
artikelen 32, eerste en tweede lid, en 32a, zoals die luidden op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en
vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, blijven van toepassing op
de persoon wiens eerste werkdag waarop door hem wegens ziekte niet is
gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt, is gelegen voor
of op die dag.
Artikel 86d.
De artikelen 38a en 38b, zoals die luidden op de
dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel VIII, onderdelen L
en M, van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving, blijven van toepassing met betrekking tot
een werknemer wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten
van zijn arbeid wegens ziekte was gelegen voor of op die
dag.
Artikel 87a.
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat in afwijking van artikel 29, eerste lid,
ziekengeld wordt uitgekeerd aan verzekerden die in
dienstbetrekking staan tot bij of krachtens die maatregel te
bepalen werkgevers.
3.De werkgever kan een verzekeringsovereenkomst met betrekking
tot zijn verplichting tot doorbetaling van loon als bedoeld
in 629, eerste lid,
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of bezoldiging als
bedoeld in artikel 76a, eerste
lid
opzeggen met ingang van de dag dat de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in het eerste lid, te zijnen aanzien in
werking treedt, of, indien de opzegging later geschiedt, met
ingang van de dag waarop deze de verzekeraar bereikt. In het
geval dat de premie is vooruitbetaald wordt deze door de
verzekeraar naar evenredigheid aan de werkgever
terugbetaald.
Artikel 87b.
Artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet, zoals
dat luidt na de inwerkingtreding van de wet van 29 december 2008 tot
wijziging van de Ziektewet om uitkering van ziekengeld mogelijk te
maken aan personen die op zaterdagen en zondagen werken
(Stb.
152) is niet van toepassing op verzekerden voor wie de eerste
kalenderweek van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid
volledig is gelegen voor de datum van inwerkingtreding van deze
wet.
Artikel 88.
1.Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van
geldelijke gevolgen van ongeschiktheid tot werken wegens
ziekte, gesloten door degene, die verplicht verzekerd wordt,
vervalt met ingang van de dag, waarop de verzekeraar van de
verzekerde mededeling van het verplicht verzekerd worden
ontvangt, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen
worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke uit de in deze
wet geregelde verplichte verzekering voortvloeien. Bereikt
deze mededeling de verzekeraar vóór de dag, waarop de
betrokkene verplicht verzekerd wordt, dan vervalt de
overeenkomst met ingang van die dag.
2. De premie, welke degene, wiens verzekering krachtens het
bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk is
vervallen, heeft vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar
al naar gelang van het vervallen gedeelte der overeenkomst
terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25 procent van
het terug te betalen bedrag voor administratiekosten.
Artikel 89.
De Algemene
termijnenwet is niet van toepassing op de in
deze wet gestelde termijnen van uitkering van geldelijke
schadeloosstelling alsmede op de termijnen, gesteld in de
artikelen 6, tweede
lid, onder a en c, 29, vijfde lid,
35 en 46, eerste en vierde
lid.
Artikel 90.
Jurisprudentie
-
1.Als werknemer in de zin van artikel
29b, eerste lid, wordt, naast de werknemers bedoeld in dat lid,
eveneens aangemerkt de
persoon die
voorafgaand aan de
inwerkingtreding van artikel 1.4, onderdeel G, van de Wet Invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
arbeidsgehandicapte was op grond van artikel 2 van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten, zoals dat luidde op de dag
voorafgaand aan de dag waarop dat artikel vervalt op grond van artikel
2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, voor de duur
van:
a.zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en vijf jaar
na die periode voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten;
b.de toekenning
van de voorziening en vijf jaar na die periode voor de
arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2, eerste lid, onderdeel b,
van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
c.de indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking
op grond van de Wet sociale werkvoorziening voor de
arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2, eerste lid, onderdeel c,
van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
d.vijf jaar na de beëindiging van zijn
dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening voor de
arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2, eerste lid, onderdeel d,
van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
e.vijf jaar na de herindicatiebeschikking op grond
van de Wet sociale werkvoorziening voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld
in dat artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten;
f.vijf jaar na beëindiging van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering of de eindiging van de voorziening,
bedoeld in dat artikel 2, eerste lid, onderdeel b van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten voor de arbeidsgehandicapte,
bedoeld in het tweede lid van dat artikel;
g.vijf jaar na de dag waarop, in verband met ziekte
of gebrek een belemmering bij het verkrijgen of verrichten van arbeid
is ontstaan voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2,
derde of vierde lid, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten.
Artikel 91.
Artikel
29b, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel
1.4, onderdeel G, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, blijft van toepassing op de werknemer die
op of voor die dag recht had op ziekengeld op grond van dat artikel.
Het ziekengeld, bedoeld in de eerste volzin, wordt niet betaald na de
periode waarover de werknemer op grond van artikel 29b, zoals dat
luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 1.4, onderdeel G,
van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, recht had.
Artikel 91a. Overgangsrecht
no risk polis i.v.m. gewijzigd loonsanctiesysteem
Met
betrekking tot personen die op of na 1 januari 2004 maar voor
15 augustus 2004 ziek zijn geworden wordt in artikel 29b, eerste
lid, onderdeel c, aanhef, voor «bedoeld in artikel 24 of 25,
negende lid, van die wet» gelezen: bedoeld in artikel 24 van die
wet of het tijdvak dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 123b,
tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
Artikel 92.
Geen recht
op ziekengeld heeft de persoon die belanghebbende is als bedoeld in
artikel 1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen.
Artikel 93.
Jurisprudentie
1.De artikelen 19, vijfde lid, 29, zesde lid,
30, vijfde en zesde lid, en 38ab zijn niet van toepassing met
betrekking tot het recht op ziekengeld van personen die voor de dag van
de inwerkingtreding van de Wet van 12 december 2007, houdende regels tot bevordering
van de activering van personen die aanspraak maken op een uitkering op
grond van de Ziektewet (Stb. 2007,
553) recht hadden op
ziekengeld.
2.Ten aanzien van
personen die voor de inwerkingtreding van de Wet van 12 december 2007, houdende
regels tot bevordering van de activering van personen die aanspraak
maken op een uitkering op grond van de Ziektewet (Stb. 2007,
553) recht hadden
op ziekengeld zijn met betrekking tot dat recht de artikelen 29a, zesde
lid, 38a, 45, eerste lid, en 72c, tweede lid, zoals deze luidden op de
dag voor de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wet van
toepassing.
Artikel 94.
In gedingen aangevangen voor het van toepassing worden van artikel
52a, derde lid, bepaalt de rechter op verzoek van een van de partijen
of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de gelegenheid wordt
geboden hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te passen aan
artikel 52a, derde lid. Stelt de rechter partijen tot een zodanige
aanpassing in de gelegenheid, dan staat tegen die beslissing geen
rechtsmiddel open; wijst de rechter een daartoe strekkend verzoek af,
dan staat een rechtsmiddel daartegen slechts gelijktijdig met de
einduitspraak
open.
Artikel 95.
De artikelen van deze wet zoals deze luidden voor
de datum van inwerkingtreding van de Tijdelijke wet compensatieregeling
loonkosten bij ziekte van oudere en voormalig langdurig werklozen,
blijven van toepassing op dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 3, 4,
of 5, die zijn aangegaan voor die datum.
Artikel 96.
Wijzigt deze wet.
Artikel 97.
Ten aanzien van verzekerden die aanspraak maken op
ziekengeld op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g,
wier eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid
wegens ziekte is gelegen voor de dag van inwerkingtreding van artikel
II, onderdeel C, onder 2, van de Wet wijziging verrekening inkomsten
met ziekengeld en de werkgevers van die verzekerden is artikel 38,
vierde lid, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van
artikel II, onderdeel C, onder 2, van de Wet wijziging verrekening
inkomsten met ziekengeld, van
toepassing.
Artikel 98.
Artikel 99.
1.Artikel
31, derde, vierde en vijfde lid, zoals dat luidde op de dag voor
inwerkingtreding van artikel VIII, onderdeel G, onder 3 en 4,
van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving,
blijft van toepassing op de verzekerde wiens eerste dag van
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is
gelegen voor de dag waarop artikel VIII, onderdeel G, onder 3
en 4, van die wet in werking is getreden.
Artikel 100.
1.Artikel 19aa is niet van toepassing op de verzekerde wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid is gelegen voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters. De artikelen 19a, derde lid, onderdeel b, 19b, tweede lid, en 19c, tweede lid, zoals deze artikelen luidden op de dag voor inwerkingtreding van die wet blijven van toepassing op de verzekerde, bedoeld in de eerste zin.
Artikel 101.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat
alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en
Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven op het Loo , den 5den Juni 1913
WILHELMINA.
De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel,
A. S. TALMA.
Uitgegeven den negenden Juni 1913.
De Minister van Justitie ad interim,
HEEMSKERK.