Wet van 18 februari 1966, inzake een
arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wij Beatrix...
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden,
Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is regelen vast te stellen inzake een verplichte
verzekering van loontrekkenden tegen geldelijke gevolgen van
langdurige arbeidsongeschiktheid;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I - Algemene bepalingen
§ 1 - Algemeen
Artikel 1.
6.Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke
registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de
toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.
8.Onder
bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel
a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een
meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde
meerderjarige.
Artikel 2.
§ 2 - De werknemer
Artikel 3.
-
2. Wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt
niet als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont
en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of gevestigd
is. Voor zover een werkgever:
a.in Nederland een vaste inrichting voor de
uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in
Nederland wonende of gevestigde vaste
vertegenwoordiger heeft; of
b.in Nederland een of meer personen in dienst heeft en
hij door of vanwege Onze Minister als werkgever is
aangewezen,
wordt hij voor de toepassing van de eerste volzin
gelijkgesteld met een in Nederland wonende of gevestigde
werkgever.
Artikel 3a.
Zo nodig in afwijking van artikel
3 en de daarop berustende bepalingen:
a.wordt als werknemer beschouwd de persoon van wie de verzekering op
grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag
of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b.wordt niet als werknemer beschouwd de persoon op wie op grond van een
verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van
een andere mogendheid van toepassing is.
Artikel 4.
2. Het bepaalde in het vorige lid, onder a en
b, blijft buiten toepassing, indien de onder
a bedoelde overeenkomst rechtstreeks is aangegaan
met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden.
-
3. Een coöperatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
h, dient te voldoen aan de vereisten, dat:
a.doorgaans ten minste twee derde deel van het aantal personen met
wie de coöperatie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek heeft gesloten, lid van de coöperatie
is;
b.het lidmaatschap van de coöperatie door ieder van de in onderdeel
a bedoelde personen onder dezelfde voorwaarden kan
worden verkregen en voorwaarden van geldelijke aard geen wezenlijke belemmering
vormen voor de verkrijging van het lidmaatschap;
c.de leden van de coöperatie ieder één stem hebben;
d.de arbeidsvoorwaarden van de leden van de coöperatie niet wezenlijk
verschillen van hetgeen gebruikelijk is bij gelijksoortige ondernemingen in de
desbetreffende sector;
e.een lid van de coöperatie, behoudens in geval van liquidatie van de
coöperatie, bij beëindiging van zijn lidmaatschap ten hoogste aanspraak kan
maken op het door hem uit hoofde van een geldelijke voorwaarde als bedoeld in
onderdeel b, hetzij uit anderen hoofde aan de
coöperatie betaalde bedrag, herrekend naar geldontwaarding.
Artikel 5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen
worden gesteld, ingevolge welke eveneens als dienstbetrekking
wordt beschouwd de arbeidsverhouding van:
a.degene, die als thuiswerker arbeid verricht;
b.degene, die de onder a
bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de
arbeid bijstaat;
c.degene, die als musicus of anderszins als artiest
optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent;
d.degene, die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht
en wiens arbeidsverhouding niet reeds ingevolge de
voorgaande bepalingen als dienstbetrekking wordt
beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk kan
worden gesteld.
Artikel 6.
-
2. Geen dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn op dagen, waarop
geen arbeid wordt verricht en geen uitkering of een uitkering van minder dan de
helft van het normale loon van de werkgever wordt genoten, tenzij het niet
verrichten van de arbeid zijn oorzaak vindt in:
a.een normale onderbreking van of verhindering tot het verrichten van
de arbeid, zolang deze onderbreking of verhindering niet langer dan een maand
heeft geduurd;
b.weersinvloeden, gebrek aan materialen of dergelijke omstandigheden;
c. vervallen;
d.de omstandigheid, dat de dienstbetrekking er toe strekt, dat
slechts een gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt verricht;
e.de omstandigheid, dat de dienstbetrekking er toe strekt, dat niet
regelmatig in elke kalenderweek arbeid wordt verricht, voor zover het betreft
de kalenderweek waarin arbeid wordt verricht of arbeid zou worden verricht,
indien de betrokkene niet arbeidsongeschikt was geworden;
f.arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan ziekengeld ingevolge de
Ziektewet of
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge deze wet is toegekend.
5.Door Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, regels gesteld omtrent hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt verstaan.
Artikel 7.
Voor de toepassing van deze wet wordt als werknemer beschouwd:
a.degene, die krachtens de verplichte verzekering op grond
van de Werkloosheidswet
(Stb. 1986, 566)
uitkering ontvangt;
b.in door Onze Minister aan te wijzen gevallen degene, die
ten minste vijf of ten minste de helft van zijn
arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren als bedoeld
in artikel 16, eerste lid,
onderdeel a, van de
Werkloosheidswet, doch aan wie geen
uitkering wordt verleend op grond van enige bepaling van
die wet of van het uitkeringsreglement
werkloosheidsverzekeringen van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of van een regeling als bedoeld
in onderdeel c;
c.degene, die wegens werkloosheid niet werkt en die
ingevolge een door Onze Minister aan te wijzen, van
overheidswege getroffen regeling uitkering ontvangt.
Artikel 7a.
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer
beschouwd:
a.degene, die krachtens de verplichte verzekering
ingevolge de Ziektewet
ziekengeld ontvangt;
b.in door Onze Minister aan te wijzen gevallen degene, die
wegens arbeidsongeschiktheid niet werkt, doch aan wie
geen ziekengeld wordt verleend op grond van enige
bepaling van de Ziektewet;
c.degene, die wegens arbeidsongeschiktheid niet werkt, doch aan
wie geen ziekengeld wordt betaald op grond van artikel 29, eerste lid, van
de Ziektewet maar wel een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
Artikel 7b.
Artikel 7c.
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd:
a.de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in
artikel 3:6, eerste lid, van
de Wet arbeid en zorg aan wie
uitkering wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 1, van die wet;
b.in door Onze Minister aan te wijzen gevallen, degene die
in verband met zwangerschap en bevalling niet werkt,
anders dan bedoeld in artikel 29a van de
Ziektewet, doch aan wie geen uitkering
wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg.
§ 3 - De werkgever
Artikel 8.
Werkgever is de overheidswerkgever onderscheidenlijk de natuurlijke
persoon tot wie of het lichaam tot welk een of meer natuurlijke
personen in dienstbetrekking
staan.
Artikel 9.
Als werkgever wordt beschouwd:
-
1°.in de gevallen, bedoeld in artikel 4,
eerste lid, onder:
a en b: de
aanbesteder;
c en d:
degene, met wie de overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
e: vervallen;
f: de exploitant of mede-exploitant van
het vaartuig;
g: vervallen;
h: de coöperatie;
-
2°.in de gevallen, bedoeld in artikel
5, onder:
a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene, met wie het optreden of de
sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene, die bij de in
artikel 5 bedoelde algemene
maatregel van bestuur als werkgever wordt aangewezen;
3°.de
aangewezen inhoudingsplichtige, bedoeld in artikel 6, zesde lid, van de
Wet op de loonbelasting
1964.
Artikel 10.
3.Ingeval het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering
of toeslag, bedoeld in de artikelen genoemd in het eerste lid, vermeerderd met
de daarover door de werkgever verschuldigde premies en de
inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de
Zorgverzekeringswet, betaalt aan de werkgever, bedoeld in
artikel 8,
9 of
11, teneinde
deze uitkering of toeslag door diens tussenkomst te doen uitbetalen, treedt
voor de toepassing van het eerste lid, deze in de plaats van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onafhankelijk van het
voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.
Artikel 11.
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, in
afwijking van het bepaalde in de artikelen
8 en 9 een
ander dan de aldaar bedoelde personen aanwijzen als werkgever met betrekking
tot:
a.degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning
geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten
tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die
ander;
b.degene, die een thuiswerker als hulp bij het verrichten van de arbeid
bijstaat;
c.degene, die als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel
als beroep een tak van sport beoefent.
Artikel 12.
De werkgever is verplicht de verzekerde gelegenheid te geven tot
het uitoefenen van de hem bij of krachtens deze wet toegekende
bevoegdheden en tot het nakomen van de hem bij of krachtens deze
wet opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van die
bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten
de arbeidstijd kan geschieden.
§ 4 - Het loon
Artikel 13.
2. Minimumloon is het minimumloon per maand, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag (Stb. 1968,
657) of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn
leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in
artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van genoemde
wet, beide vermeerderd met de daarover berekende
vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van
die wet, en vervolgens gedeeld door 21,75.
3. Loon, door verschillende personen tezamen onverdeeld genoten, wordt,
voor zover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder van hen voor
een gelijk deel te zijn genoten.
4.Degene, die krachtens een regeling als bedoeld in
artikel 7, onderdeel c,
uitkering ontvangt, wordt geacht op elke dag, waarover hij die uitkering
ontvangt, een loon te ontvangen, gelijk aan die uitkering.
Artikel 14.
1.Voor de berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop op grond
van deze wet recht bestaat wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel
van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die
eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak
waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste
het bedrag, bedoeld in artikel 17,
eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met
betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Artikel 15.
4.Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt de herziene
uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende
uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het eerste lid,
heeft
plaatsgevonden.
§ 5 - Kring der verzekerden
Artikel 16.
Artikel 17.
1.De
persoon die binnen vier weken na het einde van zijn verzekering meer
arbeidsongeschikt wordt, wordt voor het recht op herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering beschouwd alsof hij verzekerd was
gebleven. Indien de verzekering berust op een dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 3 ontstaat de in de eerste zin bedoelde aanspraak op
herziening van de uitkering eerst na het beëindigen van de
dienstbetrekking.
3.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan
personen die niet verzekerd zijn en die arbeidsongeschikt of, die in
gevallen als bedoeld in artikel 37, tweede lid, meer arbeidsongeschikt
worden als gevolg van bij die maatregel aan te wijzen beroepsziekten,
voor het recht op toekenning, onderscheidenlijk herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering worden beschouwd alsof ze verzekerd
zijn.
Hoofdstuk II - De verstrekkingen der verzekering
§ 1 - Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 18.
1.Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van
ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of
gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen,
hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en
ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst
heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid
gewoonlijk verdienen.
2. Degene die op en sedert het tijdstip dat zijn verzekering
een aanvang neemt, reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is
in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem aan
deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of
gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt, indien hij als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van
ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is
om met arbeid te verdienen, hetgeen soortgelijke personen,
die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van
het eerste lid, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het
laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid
gewoonlijk verdienen. De eerste zin blijft buiten toepassing
ten aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaande aan het
tijdstip, waarop de verzekering een aanvang nam,
ononderbroken onbetaald verlof, tot een maximum van achttien
maanden, heeft genoten, behoudens voorzover het betreft
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste
lid, die bestond op de dag, voorafgaande aan de eerste dag
van dit verlof. Als ononderbroken onbetaald verlof wordt
aangemerkt perioden van onbetaald verlof die elkaar met een
onderbreking van minder dan een maand opvolgen.
3. Indien de bij de aanvang van de verzekering aanwezige
arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand
is afgenomen vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat voor de aanvang van de
verzekering in de plaats treedt het tijdstip waarop de
arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid is
afgenomen.
9.De
voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene
maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een
ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene
maatregel van bestuur, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de
Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is
geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is
geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te
brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de
beide kamers van de Staten-Generaal
overgelegd.
Artikel 19.
1.De verzekerde, die arbeidsongeschikt wordt, heeft, zodra hij
onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij na afloop van deze periode nog
arbeidsongeschikt is. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de
eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de
werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als werkdag worden
aangemerkt.
2. Voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het vorige
lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar
met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op
een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling
op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de
Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak.
3. Recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens
de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die na afloop van het in het eerste,
tweede, en zevende lid bedoelde tijdvak niet arbeidsongeschikt is, doch ten
aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat
tijdvak.
5. Voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken, bedoeld in de vorige
leden, worden steeds in aanmerking genomen tijdvakken, gedurende welke
aanspraak bestaat op ziekengeld krachtens de
Ziektewet en worden niet in aanmerking
genomen tijdvakken gedurende welke een uitkering wordt genoten als bedoeld in
het tweede lid.
7.De wachttijd, bedoeld in het eerste lid, wordt door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verlengd op gezamenlijk verzoek
van de verzekerde en de werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid
tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in
artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek, tenzij
artikel 29 of artikel 29a, eerste of vierde lid,
van de Ziektewet van toepassing is dan
wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a van de
Ziektewet, tenzij onderdeel a van artikel 76c van die wet van
toepassing is, tenzij
zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten. De verlengde wachttijd
eindigt op de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangegeven
datum. De verlengde wachttijd kan op verzoek van de werkgever
of de verzekerde worden verkort of wordt op hun gezamenlijk verzoek
verder verlengd tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen
verzetten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt bij
verkorting van de verlengde wachttijd een nieuwe datum vast waarop de verlengde
wachttijd eindigt, met dien verstande dat de wachttijd niet eerder eindigt dan
vijftien weken na dat verzoek tenzij
de werkgever voor het verstrijken van het tijdvak van die vijftien weken geen
loon meer verschuldigd is, omdat de dienstbetrekking is geëindigd. Bij de bekendmaking van de beschikking maakt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen melding van de mogelijkheid van
het doen van een aanvraag voor de toekenning van de uitkering alsmede van de
termijn binnen welke die aanvraag wordt gedaan. Het tweede en vierde lid zijn
van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot dit lid.
Artikel 19a.
1.De verzekerde, bedoeld in artikel
19, heeft geen recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan dan wel de
dag na afloop van de toepassing van artikel 19b met betrekking tot dat
recht op uitkering, is gelegen in een periode dat hem
rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
2.De persoon, die op grond van het eerste lid geen recht op toekenning
van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft alsmede de persoon die voor 1 januari 2004 arbeidsongeschikt
is, maar op grond van
artikel 19b van de Ziektewet geen
recht heeft op ziekengeld, wordt vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld
weer als verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming van de bepalingen van
deze wet recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op
die dag arbeidsongeschikt is. Artikel 19, vierde
lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen
18, tweede tot en met vierde lid, en 30, eerste lid, onderdeel a zijn niet
van toepassing, behoudens voorzover het betreft de op de dag voorafgaande
aan de eerste dag dat die persoon rechtens zijn vrijheid is ontnomen aanwezige
arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid.
4.De persoon, bedoeld in het tweede lid, die op de in dat lid bedoelde
dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is
binnen vier weken na die dag, wordt vanaf de dag dat hij in vrijheid is gesteld
weer als verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming van de bepalingen van
deze wet recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 19, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing. Artikel 30, eerste
lid, onderdeel b, is niet van toepassing.
Artikel 19b.
De verzekerde, bedoeld in artikel 19, heeft geen
recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien en voor
zolang hij zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel.
Artikel 20.
1.De verzekerde, bedoeld in artikel
19, heeft geen recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is gelegen in een periode dat hij
niet in Nederland woont.
-
3.De persoon, die op grond van het eerste lid geen recht op toekenning
van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft alsmede de persoon die voor 1 januari 2004 arbeidsongeschikt
is, maar op grond van
artikel 19a van de Ziektewet geen
recht heeft op ziekengeld, wordt vanaf de dag:
a.dat hij in Nederland woont; of
b.dat hij in een land woont waarmee een verdrag in werking is getreden
dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden, op grond waarvan recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan;
weer als verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming van de
bepalingen van deze wet recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is.
Artikel 19, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing. De artikelen 18,
tweede tot en met vierde lid, en
30, eerste lid, onderdeel a,
zijn niet van toepassing.
4.De persoon, bedoeld in het derde lid, die op de in dat lid bedoelde dag
niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen
vier weken na die dag, wordt vanaf die dag weer als verzekerde aangemerkt en
heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 19,
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30, eerste lid, onderdeel
b, is niet van toepassing.
-
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat de verzekerde, bedoeld in artikel 19, recht heeft op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien de dag waarop het recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan is gelegen in een periode dat de
verzekerde niet in Nederland woont ingeval van:
a.een verzekerde die werkzaamheden verricht in het
algemeen belang;
b.een verzekerde die in Aruba, Curaçao, Sint Maarten
of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont; of
c.de gezinsleden van de in de onderdelen a of b
bedoelde verzekerde.
Artikel 21.
1.De arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet
bestaat achtereenvolgens uit een loondervingsuitkering,
waarvoor het dagloon als maatstaf geldt en een
vervolguitkering, waarvoor het vervolgdagloon als maatstaf
geldt.
Artikel 21a.
De duur van de loondervingsuitkering is voor degene, die op de
datum met ingang waarvan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt toegekend:
58 jaar of ouder is zes jaar;
53 jaar of ouder is drie jaar;
48 jaar of ouder is twee jaar;
43 jaar of ouder is anderhalf jaar;
38 jaar of ouder is één jaar;
33 jaar of ouder is een half jaar, en
jonger is dan 33 jaar nihil.
Artikel 21b.
5. Voor de toepassing van artikel
21a en het derde lid wordt voor
degene ten aanzien van wie artikel 35, tweede
lid, wordt toegepast als datum met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend in aanmerking genomen de datum
waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn toegekend als dat lid niet
was toegepast.
Artikel 22.
Een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de
betrokkene in een althans voorlopig blijvende toestand van
hulpbehoevendheid, welke geregeld oppassing en verzorging nodig
maakt, verkeert, voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten
hoogste 100/108 maal zijn dagloon of zijn vervolgdagloon
verhoogd. Het bepaalde in de vorige volzin vindt geen
toepassing, indien de betrokkene in een inrichting is opgenomen
en de kosten van verblijf ten laste van een zorgverzekering
of een verzekering inzake
ziektekosten komen.
Artikel 23.
1.Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, zo vaak hij dat nodig
oordeelt de persoon die aanspraak maakt op of in het genot is van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, oproepen of doen oproepen en op een
door of vanwege het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te
bepalen plaats ondervragen of doen ondervragen in verband met de
aanspraak op of het genot van een arbeidsongeschiktheidsuitkering of de
toekenning dan wel verstrekking van een reïntegratie-instrument
als bedoeld in hoofdstuk
IIB.
3. De daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
aangewezen deskundige kan, ook zonder opdracht van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, de in het eerste lid bedoelde personen oproepen,
ondervragen, onderzoeken, doen oproepen, doen ondervragen en doen onderzoeken
door een of meer door hem daartoe aangewezen deskundigen.
Artikel 24.
2.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in het kader van
de uitvoering van het eerste lid voorschrijven dat de persoon, bedoeld in
het eerste lid, zich laat registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Artikel 25.
-
1.Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert de uitkering
tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien een persoon als
bedoeld in artikel 23, eerste lid, na tijdig opgeroepen te zijn, niet
verscheen of
weigerde:
a.vragen
te beantwoorden die zijn gesteld door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen
deskundige;
b.zich te
laten onderzoeken door de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen daartoe aangewezen deskundige;
of
c.te voldoen aan
het voorschrift, gegeven door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de daartoe aangewezen deskundige, om zich
ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen
inrichting.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen handelt
overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid bij toeneming van de
arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit
dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan het niet
voldoen aan de oproeping of de weigering plaatsvond.
Artikel 26.
Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede
hun geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies
vergoed in de gevallen en volgens regels, door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vast te stellen.
Artikel 27.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd
controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften mogen
niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste
uitvoering van deze wet.
Artikel 28.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig
het bepaalde in artikel
25:
a.indien de belanghebbende de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige krachtens
artikel 24 in het
belang van een behandeling of genezing of tot behoud, herstel of bevordering
van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid en tot registratie als
werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen gegeven
voorschriften zonder deugdelijke grond niet opvolgt;
b.indien de belanghebbende zich niet, zolang als het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen
deskundige te kennen heeft gegeven dit noodzakelijk te achten, onder
geneeskundige behandeling stelt of indien hij de voorschriften van de
behandelende arts niet opvolgt;
c.indien de belanghebbende zich schuldig maakt aan gedragingen,
waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat voldoende mede te werken om
aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te verkrijgen;
d.indien de belanghebbende de controlevoorschriften, bedoeld in
artikel 27, of de
verplichting bedoeld in
artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet
behoorlijk is nagekomen dan wel de verplichting bedoeld in
artikel 80 niet binnen
de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarvoor vastgestelde
termijn is nagekomen;
e.indien de belanghebbende zijn arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft
veroorzaakt;
f.indien belanghebbende zich niet houdt aan de voorschriften, bedoeld
in artikel 34, derde
lid, artikel 34a,
eerste lid, of artikel
34a, vierde lid;
g.indien de belanghebbende zonder redelijke gronden niet meewerkt aan
een scholing of opleiding die door zijn werkgever of het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen uit hoofde van de uitoefening van hun taak op grond van
artikel 658a, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
respectievelijk artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen
wenselijk wordt geacht voor zijn inschakeling in de arbeid;
h.indien de belanghebbende zonder deugdelijke grond weigert of heeft
geweigerd mee te werken aan door zijn werkgever of door een door die werkgever
aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen
die erop gericht zijn om de belanghebbende in staat te stellen passende arbeid
te verrichten dan wel indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in
artikel 34, derde lid,
en bij de beoordeling als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, blijkt dat de
belanghebbende zonder deugdelijke grond onvoldoende reïntegratie-inspanningen
heeft verricht. Voor de toepassing van dit onderdeel wordt onder werkgever mede
verstaan de eigenrisicodrager, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van
de Ziektewet;
i.indien
de belanghebbende zonder redelijke gronden niet meewerkt aan het
opstellen van de reïntegratievisie, bedoeld in artikel 30a,
eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, of het reïntegratieplan, bedoeld in artikel 30a, derde
lid, van die wet;
j.indien de
belanghebbende de verplichtingen die zijn opgenomen in de
reïntegratievisie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of in het
reïntegratieplan, bedoeld in artikel 30a, derde lid, van die
wet, niet of niet behoorlijk is nagekomen;
k.indien de belanghebbende die bij deelname aan een
reïntegratietraject zijn reïntegratieverplichtingen niet
naleeft, de reden daarvan niet onmiddellijk aan het
reïntegratiebedrijf heeft
medegedeeld.
Artikel 29.
2.Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het
opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 28 en volstaan met
het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet
tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80, indien het
niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten
onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake
van het zich niet houden aan de voorschriften, bedoeld in artikel 34,
derde lid, of in artikel 34a, eerste lid, tenzij het niet tijdig
nakomen van de verplichting of het zich niet houden aan de
voorschriften plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige
waarschuwing is gegeven.
Artikel 29a.
1.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichtingen, bedoeld in artikel 80. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.
2.In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.
3.Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of diens wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 80, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
4.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of diens wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 80, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
5.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichtingen, bedoeld in artikel 80, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
6.Onder eenzelfde gedraging als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 80 van deze wet, 25 van de Werkloosheidswet, 12 van de Toeslagenwet, 12, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 31, eerste lid, of 49 van de Ziektewet, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering, ziekengeld of toeslag is verleend.
7.In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Artikel 29g.
-
4.Zolang de
belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting,
bedoeld in artikel 29a, negende lid, niet of niet behoorlijk
nakomt:
Artikel 29h.
1.Bij de verrekening, bedoeld in artikel 29g, eerste lid, wordt de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 29a, vijfde lid, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verrekend gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.
2.Artikel 29g, eerste lid, en het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel 29a, zesde lid, indien en voor zover op het moment van verrekening, bedoeld in het eerste lid, de bestuurlijke boete door de overtreder niet is betaald.
3.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op verzoek van de overtreder besluiten het eerste lid en tweede lid niet of niet meer toe te passen indien, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
4.De voorgaande leden laten de verrekening van de bestuurlijke boete op grond van artikel 29g, eerste lid, na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onverlet.
5.Indien als gevolg van de verrekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand wordt toegekend, wordt bij de verrekening een bij ministeriële regeling bepaald deel van de uitkering op grond van deze wet vrijgelaten in verband met zorgkosten, woonkosten en de kosten van kinderen. Het vrij te laten deel van de uitkering kan afhankelijk worden gesteld van de leefsituatie.
Artikel 29i.
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de
verzekerde de uitkering op grond van deze wet tijdelijk of blijvend,
geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem een bestuurlijke
boete heeft
opgelegd, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het
reïntegratiebedrijf dat ten behoeve van die verzekerde
werkzaamheden gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het
verrichten van arbeid of op inschakeling in arbeid verricht, van die
beschikking in kennis voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering
van de werkzaamheden door het
reïntegratiebedrijf.
Artikel 30.
2.Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van degene die
onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip, waarop de verzekering een aanvang
nam, ononderbroken onbetaald verlof, tot een maximum van achttien maanden,
heeft genoten, behoudens voorzover het betreft arbeidsongeschiktheid in de zin
van het eerste lid, die bestond op de dag, voorafgaande aan de eerste dag van
dit verlof. Als ononderbroken onbetaald verlof wordt aangemerkt perioden van
onbetaald verlof die elkaar met een onderbreking van minder dan een maand
opvolgen.
3. De in het eerste lid, onder b, bedoelde
bevoegdheid strekt zich mede uit tot toeneming van de arbeidsongeschiktheid,
voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de
arbeidsongeschiktheid, welke binnen een half jaar na de aanvang van de
verzekering is ingetreden.
4. Het bepaalde in het eerste lid, onder b,
blijft buiten toepassing ten aanzien van degene, die onmiddellijk voorafgaande
aan het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam, in verband met het
bepaalde in artikel 6, eerste lid, onder
a of b, niet verzekerd was.
Artikel 30a.
Indien voor het vaststellen van het recht op uitkering op grond van
deze wet, in het kader van een aanvraag voor de toekenning van een
uitkering op grond van deze wet, naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een medisch onderzoek
nodig is en de betrokkene niet meewerkt aan dat onderzoek, blijven
eventuele uit deze wet voortvloeiende aanspraken op een uitkering op
grond van deze wet buiten aanmerking, voor zolang het recht op
uitkering niet kan worden
vastgesteld.
Artikel 31.
Zolang het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ingevolge de artikelen 25, 28, 30,
en 30a arbeidsongeschiktheid buiten
aanmerking laat, vindt artikel 18, tweede
lid, overeenkomstige toepassing met betrekking tot de door de
betrokkene aan deze wet nog te ontlenen aanspraken, met dien verstande, dat
voor de aanvang van de verzekering in de plaats treedt het tijdstip, met ingang
waarvan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen arbeidsongeschiktheid
buiten aanmerking laat.
Artikel 33.
1.Met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken wordt buiten
aanmerking gelaten arbeidsongeschiktheid, welke is ingetreden tijdens een
periode, gedurende welke de verzekerde op grond van artikel 64 van de Wet financiering sociale
verzekeringen ontheffing was verleend van verplichtingen op grond van
deze wet.
§ 2 - Toekenning, ingang, herziening,
intrekking, heropening en betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel 34.
2.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt de belanghebbende
van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk in kennis uiterlijk
vier maanden vóór de datum waarop de wachttijd van 104 weken,
bedoeld in artikel 19, eerste lid, verstrijkt.
3. De belanghebbende, die in aanmerking wenst te komen voor toekenning
van de uitkering, dient zijn aanvraag te doen binnen 21
maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid. Indien de
wachttijd, bedoeld in
artikel 19, eerste lid, is verlengd op
grond van het zevende lid van dat artikel wordt de aanvraag voor de toekenning
van de uitkering, in afwijking van de eerste zin, uiterlijk 13 weken voor het
verstrijken van de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
vastgestelde verlengde wachttijd gedaan.
4.Onverminderd het in deze wet terzake van herziening of intrekking van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde wordt ten aanzien van personen die na 1 juli 1954 zijn geboren, op een bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur bepaald tijdstip door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
bezien of er in verband met wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid
gronden zijn voor herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Het tijdstip kan voor verschillende groepen van personen verschillend worden
vastgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
eerste zin niet van toepassing is op bepaalde groepen van personen.
5.Ten
aanzien van personen die na 1 juli 1954 maar voor 2 juli 1959 zijn
geboren en die voor 22 februari 2007 op grond van het vierde lid zijn
herbeoordeeld, wordt door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bezien of er per 22 februari 2007 in verband
met een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn
voor herziening, heropening of intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. De eerste zin is niet van toepassing
op personen die op 22 februari 2007 reeds in de hoogste
arbeidsongeschiktheidsklasse zijn
ingedeeld.
6.Op grond van de
beoordeling, bedoeld in het vijfde lid, wordt de mate van
arbeidsongeschiktheid van de persoon, bedoeld in het vijfde lid, die
niet heeft verzocht om een nieuwe medische beoordeling, niet lager
vastgesteld dan de mate van arbeidsongeschiktheid die voor die persoon
gold op 21 februari
2007.
7. Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn ingediend, indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de kennisgeving als bedoeld in het
tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan
bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen vier weken nadat
deze kennisgeving is ontvangen.
9.Indien de wachttijd, bedoeld in
artikel 19, eerste lid, is verlengd op
grond van het zevende lid van dat artikel, besluit het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de aanvraag, bedoeld in het derde lid, niet te
behandelen, indien deze is ingediend vóór het verzoek tot de verlenging.
Artikel 34a.
1.De aanvraag voor de toekenning van de uitkering gaat vergezeld van een
reïntegratieverslag als bedoeld in
artikel 71a. De eerste volzin is niet
van toepassing voorzover
artikel 71b, eerste lid, toepassing
vindt. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beoordeelt of de
werkgever en de
verzekerde dan wel de eigenrisicodrager, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de
Ziektewet en de personen, bedoeld in artikel
29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot
hem in dienstbetrekking
stonden,
in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie- inspanningen, die zijn
verricht.
3.Bij de bekendmaking van de beschikking, bedoeld in het tweede lid, maakt
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen melding van de mogelijkheid
tot het doen van een nieuwe aanvraag voor de toekenning van de uitkering
alsmede van de termijn binnen welke die aanvraag wordt gedaan.
Artikel 35.
Artikel 36.
Artikel 36a.
-
1.Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van
herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering en terzake van weigering
van een zodanige uitkering, herziet het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een dergelijke beschikking of trekt hij die
in:
a.ter uitvoering van een beschikking als bedoeld in
artikel 30;
b.indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een
verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
hoog bedrag verlenen van uitkering;
c.indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot
een te hoog bedrag is verleend;
d.indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een
verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80
ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog
recht op uitkering bestaat.
3.Een
beschikking tot
toekenning van loonsuppletie als bedoeld in artikel 65c, of van
inkomenssuppletie als bedoeld in artikel
65d wordt ingetrokken of herzien indien
onderscheidenlijk de loonsuppletie, de inkomenssuppletie of de
voorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
vastgesteld.
Artikel 36b.
1.De intrekking of verlaging van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, die voortvloeit uit het
door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep, vindt niet
eerder plaats dan zes weken na de dag waarop de beslissing
op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan. De
eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van
intrekking van het bezwaar of beroep omdat het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geheel of
gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het bezwaar of beroep
van de werkgever.
Artikel 37.
1.Terzake van toeneming van arbeidsongeschiktheid vindt herziening van
een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van minder dan 45%, onverminderd de artikelen
39 en 39a, plaats zodra de toegenomen
arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd.
2.De in
het eerste lid bedoelde herziening vindt niet plaats indien de
uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen
arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b als werknemer
wordt beschouwd en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een
andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, terzake waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is
voortgekomen.
3.Voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het eerste
lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien
zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij
direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in
verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste
lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten,
tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te
vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de
vaststelling van het tijdvak van 104
weken
blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op
grond van
artikel 3:7, eerste lid,
3:8, of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten
beschouwing.
Artikel 38.
1.Terzake van toeneming van arbeidsongeschiktheid vindt herziening van
een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 45%, onverminderd artikel
39, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid
onafgebroken vier weken heeft geduurd.
2.Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, doch minder dan 80%, wegens afneming
van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%, doch binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan die
uitkering is herzien, de arbeidsongeschiktheid weer toeneemt, is het eerste lid
van toepassing, onder afwijking van artikel
37.
3.Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste
lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien
zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan
aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met
zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of
3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak. Bij de
vaststelling van de
eerstgenoemde periode van vier
weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of
bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid,
3:8, of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten
beschouwing.
Artikel 39.
2. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend,
onderscheidenlijk eerder wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien,
met toepassing van artikel 35, tweede
lid, onderscheidenlijk artikel
42, tweede lid, geldt met betrekking tot het bepaalde in het
vorige lid, onder a en b, als dag met ingang van welke de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend onderscheidenlijk herzien de
dag, met ingang van welke die uitkering zou zijn toegekend onderscheidenlijk
herzien, indien artikel 35, tweede
lid, onderscheidenlijk artikel
42, tweede lid, geen toepassing zou hebben gevonden.
3.Ter
zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een herbeoordeling als
bedoeld in artikel 34, vijfde lid, plaats met ingang van 22 februari
2007.
4.Onze
Minister is bevoegd regels te stellen voor gevallen waarbij direct
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt.
Ingevolge deze regels kan bedoelde herziening slechts plaatsvinden ten
behoeve van degene die bij hervatting van de arbeid inkomen geniet, dat
minder bedraagt dan evenredig is aan zijn nog bestaande
arbeidsgeschiktheid.
Artikel 39a.
1.Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen
vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de
arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, vindt
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de
toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
2. Voor het bepalen van de periode van vier weken, bedoeld in het eerste
lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien
zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan
aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met
zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of
3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak. Bij de
vaststelling van de
eerstgenoemde periode van vier
weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of
bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid,
3:8, of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten
beschouwing.
Artikel 39b.
Indien als gevolg van de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid zowel recht op herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat of is ontstaan op grond van de
artikelen 38, 39 of 39a, als op ziekengeld op grond van de Ziektewet,
wordt het bedrag waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering
is of wordt verhoogd uitbetaald voor zover dit het ziekengeld
overtreft, danwel zou overtreffen, indien het ziekengeld op grond van
artikel 45 van de Ziektewet geheel of gedeeltelijk is
geweigerd.
Artikel 40.
1.Indien terzake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering alsmede toekenning van ziekengeld
krachtens de
Ziektewet heeft plaatsgevonden dan wel
loondoorbetaling heeft plaatsgevonden op grond van
artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek of betaling van bezoldiging op grond van
artikel 76a, eerste lid,
van de Ziektewet, wordt met ingang van de dag na beëindiging van
het ziekengeld op grond van
artikel 29, vijfde lid, van de
Ziektewet dan wel na afloop van het in
artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek of in
artikel 76a, eerste lid,
van de Ziektewet bedoelde tijdvak van 104 weken het dagloon
opnieuw vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens
artikel 14, mits dat leidt tot
een hoger dagloon, dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk
ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen.
2.Voor de
toepassing van het eerste lid wordt in artikel 14, eerste lid, in
plaats van de woorden «voorafgaande aan het aangiftetijdvak
waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden» gelezen:
voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is
toegenomen.
3.Ingeval van herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in
verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid tijdens het ontvangen van een
vervolguitkering wordt, met inachtneming van de tweede tot en met vierde volzin
van dit lid, met ingang van de dag waarop het recht op die herziening bestaat,
een loondervingsuitkering toegekend. Voor de duur van die loondervingsuitkering
is, in afwijking van artikel
21a, de leeftijd van de betrokkene op de dag van ingang van de
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepalend. Toekenning van een
loondervingsuitkering is slechts mogelijk indien de betrokkene bij de toeneming
van de arbeidsongeschiktheid terzake van het verrichten van werkzaamheden op
grond van deze wet verzekerd was en de duur van die uitkering langer is dan de
duur van de loondervingsuitkering, waarop recht bestond onmiddellijk
voorafgaande aan de datum van ingang van de vervolguitkering. De duur van de
toe te kennen loondervingsuitkering wordt verminderd met de duur van de
laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering. Tijdens de duur van die
loondervingsuitkering bestaat geen recht op vervolguitkering.
4.Na afloop van de in het derde lid bedoelde loondervingsuitkering geldt
voor de berekening van het vervolgdagloon, in afwijking van
artikel 21b, derde lid, een
percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de
leeftijd van de betrokkene op de dag van ingang van de herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 41.
Artikel 42.
2. Met betrekking tot de herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke een verhoging van die uitkering tot
gevolg heeft, is het bepaalde in artikel 35,
tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
3. De herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van
afneming van de arbeidsongeschiktheid gaat in op de dag, welke in de
beschikking wordt genoemd als de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid was
afgenomen.
Artikel 43.
3. Indien intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt
met een voltooide opleiding of scholing, is artikel 42, vierde lid, van overeenkomstige
toepassing.
4. De arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene die deelneemt aan een
opleiding of scholing, wordt gedurende deze opleiding of scholing niet
ingetrokken of herzien in verband met een daaruit voortvloeiende afname van de
arbeidsongeschiktheid. Indien de belanghebbende tijdens de
opleiding of scholing inkomen verwerft, is
artikel 44, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing.
5.De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken, indien degene die
recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering rechtens zijn vrijheid is
ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft
geduurd.
7.Voor de
verzekerde die op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen
recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het zesde
lid, eindigt het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, in afwijking
van het vijfde lid, vanaf de dag dat de vrijheidsontneming
ingaat.
Artikel 43a.
-
1.Indien degene
a.wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens
afneming van arbeidsongeschiktheid op grond van
artikel 43, eerste lid, is ingetrokken, of
b.die aan het einde van de in artikel 19, bedoelde
wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht
had op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet
arbeidsongeschikt was,
binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel
binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die
wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze
arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die
waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de
ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond
waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte of gebreken, vindt toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
2. Voor het bepalen van de periode van vier weken, bedoeld in
het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid
samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan
aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met
zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of
3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van
de
eerstgenoemde periode van vier
weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met
zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste
lid, 3:8,
of 3:10, eerste lid, van de Wet
arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
3.In
de gevallen, waarin artikel 20 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk
artikel 3:21 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
geen toepassing vindt omdat artikel 29b van de Ziektewet toepassing kan
vinden, wordt het aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag
te leggen dagloon niet lager gesteld dan 108/100 maal de grondslag die
voor de berekening van de laatstelijk ontvangen
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk de
Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten in aanmerking werd
genomen, dan wel 108/100 maal de grondslag die in aanmerking zou zijn
genomen, indien na het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
onderscheidenlijk artikel 3:3, eerste lid, van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, recht zou hebben bestaan op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een laatstbedoelde wet,
zoals die sinds de beëindiging van die uitkering onderscheidenlijk
sinds het einde van die wachttijd op grond van artikel 8 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk
artikel 3:7 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
zou zijn
herzien.
6.Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit artikel wordt
toegekend en tevens recht op ziekengeld op grond van de Ziektewet
bestaat, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover
deze het ziekengeld overtreft, danwel zou overtreffen, indien het
ziekengeld op grond van artikel 45 van de Ziektewet geheel
of gedeeltelijk is
geweigerd.
Artikel 43b.
Artikel 43c.
In de gevallen waarin artikel
43a toepassing vindt wordt het aan de toe te kennen
arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag te leggen dagloon niet lager
gesteld dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen
loondervingsuitkering in aanmerking werd genomen, dan wel het dagloon dat in
aanmerking zou zijn genomen indien na het einde van de in
artikel 19, bedoelde wachttijd
recht zou hebben bestaan op een loondervingsuitkering, zoals dat sinds de
beëindiging van de uitkering onderscheidenlijk sinds het einde van die
wachttijd op grond van artikel
15 zou zijn herzien.
Artikel 43d.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering, onderscheidenlijk de verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in geval van herziening van die uitkering op
grond van de artikelen
37, 38,
39 en
39a, wordt niet
uitbetaald gedurende het verlengde tijdvak waarin recht bestaat op ziekengeld
op grond van artikel 29, negende lid,
van de Ziektewet, op loon op grond van
artikel 629 lid 11, onderdeel d, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel op bezoldiging op grond
van
artikel 76a, zesde
lid, van de
Ziektewet.
Artikel 44.
-
1.Indien
degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen
geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid
gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als
arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt
de
uitkering:
a.niet
uitbetaald indien het inkomen zodanig is, dat als die arbeid wel de in
artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake
zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%;
of
b.indien het
bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter
grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn
vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid,
bedoelde arbeid zou zijn.
Na
afloop van het in de aanhef genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt
als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid.
3.Indien op
de laatste dag van het in het eerste lid genoemde tijdvak van vijf jaar
inkomen wordt genoten, maar geen arbeid wordt verricht, wordt dit
tijdvak verlengd tot en met de laatste dag waarop dat inkomen wordt
genoten.
4.Indien
degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen
geniet, dat bestaat uit loon ingevolge een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van de Wet sociale werkvoorziening,
is het eerste lid voor onbeperkte duur van toepassing.
7.Bij
ministeriële regeling wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld
in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat
nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt
genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of
nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel
volledig wordt
genoten.
Artikel 47.
1.Degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45 %, in verband met het bepaalde in
artikel 43, eerste lid, is
ingetrokken, heeft, indien hij binnen vier weken na de dag, met ingang van
welke de uitkering is ingetrokken, weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
2. Het bepaalde in het vorige lid is mede van toepassing met betrekking
tot degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45 %, in verband met het bepaalde in
artikel 43, eerste lid, is
ingetrokken, indien hij weer arbeidsongeschikt wordt binnen 4 weken na de dag,
met ingang van welke die uitkering, welke voordien was berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45 %, wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan
45%.
3. Degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45 %, in verband met het bepaalde in
artikel 43, eerste lid, is
ingetrokken met ingang van een dag, die gelegen is binnen vier weken na de dag,
met ingang waarvan die uitkering werd toegekend of wegens toegenomen
arbeidsongeschiktheid werd herzien, heeft, indien hij binnen die periode van
vier weken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 39,
tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45 %, in verband met het bepaalde in
artikel 43, eerste lid, is
ingetrokken, heeft, onverminderd het bepaalde in het tweede en het derde lid,
indien hij binnen vier weken na de dag, met ingang van welke de uitkering is
ingetrokken, weer arbeidsongeschikt wordt, niet kennelijk uit een andere
oorzaak dan die, waaruit de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan de
ingetrokken uitkering werd genoten, is voortgekomen, aanspraak op heropening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
5.Ten
aanzien van degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken
in verband met artikel 43, eerste lid, en die weer arbeidsongeschikt is
geworden op grond van een herbeoordeling als bedoeld in artikel 34,
vijfde lid, vindt heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
plaats met ingang van 22 februari
2007.
7.Indien
zowel recht bestaat of is ontstaan op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit artikel als op
ziekengeld op grond van de Ziektewet, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze het
ziekengeld overtreft, danwel zou overtreffen, indien het ziekengeld op
grond van artikel 45 van de Ziektewet geheel of gedeeltelijk is
geweigerd.
Artikel 47a.
-
1.De persoon, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
artikel 43b, eerste lid, is
ingetrokken, heeft vanaf de dag:
a.dat hij in Nederland woont; of
b.waarop een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van
een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden in het land waar
betrokkene woont, op grond waarvan recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan
bestaan;
met inachtneming van de bepalingen van de wet aanspraak op heropening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt
is.
2.Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft
eveneens de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid bedoelde
dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is
binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
Artikel 47b.
1.De persoon, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
artikel 43, vijfde lid, is
ingetrokken, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld met
inachtneming van de bepalingen van deze wet aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt
is.
2.Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft
eveneens de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid bedoelde
dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is
binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
Artikel 47c.
1.De
persoon, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43,
zesde lid, is ingetrokken, heeft vanaf de dag dat hij zich niet langer
onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel met inachtneming van de bepalingen van
deze wet aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag
arbeidsongeschikt is.
2.Aanspraak
op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de
persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid bedoelde dag
niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval
is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
Artikel 48.
2. De heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beschouwd als een
voortzetting van de ingetrokken uitkering. Voor de toepassing van de
artikelen 38, derde lid,
39, eerste lid, onderdeel c, en
39a wordt daarbij met
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid gelijk gesteld intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
3. Voor de berekening van de heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt als dagloon of vervolgdagloon beschouwd het dagloon of vervolgdagloon,
waarnaar de ingetrokken uitkering op de dag van ingang van de heropende
uitkering zou zijn berekend, indien de uitkering niet was ingetrokken, tenzij
hernieuwde vaststelling van een dagloon overeenkomstig het bepaalde bij of
krachtens artikel 14 en met
inachtneming van artikel 15 tot
een hoger dagloon of vervolgdagloon leidt, in welk geval de heropende uitkering
aan de hand van dit dagloon of vervolgdagloon wordt berekend.
Artikel 49.
Artikel 50.
4. Wanneer degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend, een ander machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen,
onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg
gegeven met ingang van een betalingstermijn, aanvangende na de dag waarop de
machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking
mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand
na de dag van indiening onderscheidenlijk intrekking der machtiging.
6. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om, onder
door hem te stellen voorwaarden, op verzoek van de in het vorige lid bedoelde
organen, gelijktijdig met de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
invaliditeitsuitkeringen of pensioenen, verschuldigd door die organen,
betaalbaar te stellen.
8.Indien een reïntegratiebedrijf aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft gemeld dat het
gegronde vermoeden bestaat dat een persoon aan wie een uitkering op
grond van deze wet is toegekend, onvoldoende medewerking verleent aan
de op hem betrekking hebbende werkzaamheden van het
reïntegratiebedrijf, neemt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een beschikking omtrent de gehele of gedeeltelijke
opschorting of schorsing van de betaling van de uitkering aan die
persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.
Artikel 50a.
Artikel 51.
Voor zover betreft het in ontvangst nemen van een uitkering
ingevolge deze wet en het verlenen van kwijting voor de betaling
daarvan, wordt een minderjarige met een meerderjarige
gelijkgesteld. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich tegen
de betaling aan de minderjarige schriftelijk verzet bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geschiedt de
uitbetaling aan de wettelijke vertegenwoordiger.
Artikel 53.
-
1.Na het overlijden van degene, aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt met ingang van de dag na
het overlijden, de arbeidsongeschiktheidsuitkering in de vorm van een
overlijdensuitkering uitbetaald:
a.aan de langstlevende van de echtgenoten;
b.bij ontstentenis van de in onderdeel a
bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de overledene in
familierechtelijke betrekking stond;
c.bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan
degenen met wie de overledene in gezinsverband leefde.
2. De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering over één maand, doch niet over de zaterdagen en
zondagen, berekend naar de hoogte van die uitkering op de dag of laatstelijk
voor de dag van overlijden, van degene aan wie die
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend.
3. In verband met het overlijden van degene aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, is artikel 49, eerste lid, niet van toepassing.
Artikel 54.
1.Indien de
degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend,
aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van die wet een
bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bevoegd de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot
het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene aan wie de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, zonder diens machtiging
uit te betalen aan het College voor zorgverzekeringen, genoemd in
artikel 58, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet.
2. Indien degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van
zwakzinnigen is opgenomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
van de desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente die de opnamekosten
betaalt, het verzoek ontvangt om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die
inrichting of die gemeente uit te betalen, is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere
voorwaarden in te willigen.
3. Indien het eerste lid toepassing vindt, heeft de in het tweede lid
bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, dat niet aan het College voor
zorgverzekeringen wordt
uitbetaald.
Artikel 56.
De termijnen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke niet
zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag der
betaalbaarstelling, worden niet meer uitbetaald.
Artikel 57.
1.De uitkering, de loonsuppletie,
bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel
65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in
artikel 36a onverschuldigd is
betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
3.De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80.
7.In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen,
besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een
door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
Artikel 57a.
1.Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd
betaalde uitkering, bedoeld in artikel 57, eerste lid, invorderen bij
dwangbevel.
2.Artikel 29g is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen
van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in de
artikelen
475c en
475d van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering niet te boven is gegaan, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager
vaststelt.
Artikel 57b.
Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de
beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is
betaald.
Artikel 58.
-
1.In
afwijking van artikel 57, eerste lid, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, op verzoek van de belanghebbende of zijn
wettelijke vertegenwoordiger, besluiten gedeeltelijk van terugvordering
of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien door medewerking
aan een schuldregeling,
indien:
a.redelijkerwijs
te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het
betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij
heeft opgehouden te
betalen;
b.redelijkerwijs
te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle
vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van
de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal
komen;
c.de vordering
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wegens
onverschuldigde betaling ten minste zal worden voldaan naar
evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke
rang;
d.een naar het
oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van
een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het
consumentenkrediet;
e.aannemelijk
is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt; en
f.uitdeling
in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel
349 van de Faillissementswet.
2.Het
eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door
het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in
artikel 80, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 29a is
opgelegd, dan wel indien hiervoor aangifte is gedaan op grond van het
Wetboek van
Strafrecht.
Artikel 59.
Een
vordering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als
bedoeld in artikel 57 en 58 is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in
artikel 288 van Boek 3 van het
Burgerlijk
Wetboek.
§ 2a - Vakantie-uitkering
Artikel 59a.
Degene, die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering,
heeft recht op een vakantie-uitkering.
Artikel 59b.
2. Indien artikel 44 is
toegepast, wordt onder het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering als
bedoeld in het eerste lid verstaan het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, nadat artikel
44 is toegepast.
4. Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in
artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wordt het percentage
van de in het eerste lid bedoelde vakantie-uitkering, alsmede de noemer van de
in de artikelen 21, tweede lid
en 22, bedoelde breuk
dienovereenkomstig aangepast. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking
genomen over de uitkering waarop recht bestaat over de periode aanvangende met
de dag waarop de wijziging ingaat. Het aldus gewijzigde percentage en de aldus
gewijzigde noemer treden in de plaats van het in het eerste lid genoemde
percentage onderscheidenlijk de in de artikelen
21, tweede lid en 22, genoemde noemer.
6.In afwijking van het derde lid vindt, indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beëindigd en het niet aannemelijk is dat
binnen korte tijd wederom recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering zal
ontstaan, uitbetaling van de vakantieuitkering plaats gelijktijdig met de
uitbetaling van de laatste termijn van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of zo
spoedig mogelijk daarna.
Artikel 59c.
Onze Minister kan nadere regelen stellen ter berekening van de
vakantie-uitkering van degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering met
toepassing van het bepaalde krachtens artikel 65 niet of niet ten volle wordt uitbetaald en die naast de
uitkering ingevolge de wetgeving van een andere Mogendheid eveneens recht heeft
op een vakantie-uitkering ingevolge die wetgeving.
Artikel 59d.
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen
50, 53,
54,
56,
57 en
80 vindt overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de vakantie-uitkering voor zover bij of krachtens
deze paragraaf niet anders is bepaald.
Artikel 59e.
Onze Minister kan met betrekking tot het bepaalde in deze paragraaf
nadere regelen stellen.
Hoofdstuk IIA - Garantieregeling voor oudere
arbeidsongeschikten, samenloop, verstrekkingen die
onvervreemdbaar zijn en verstrekkingen die niet vatbaar zijn
voor beslag
Artikel 61.
Indien een persoon die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en op of na de dag waarop hij de
leeftijd van 45 jaar heeft bereikt inkomen gaat verdienen in verband waarmee zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beëindigd, binnen vijf
jaar na de datum van die beëindiging opnieuw recht heeft op
toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt het
aan die uitkering ten grondslag te leggen dagloon niet lager
gesteld dan het dagloon of vervolgdagloon dat voor de berekening
van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering of
vervolguitkering in aanmerking werd genomen, zoals dat vanaf de
beëindiging tot aan de datum van de in dit artikel bedoelde
toekenning op grond van artikel 15 van deze wet, al dan niet in
verbinding met artikel 14 van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag, zou zijn herzien indien
de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet was beëindigd.
Artikel 65.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering op
grond van de sociale wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten,
de sociale wetgeving van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en
Saba of
van een andere Mogendheid.
Artikel 65a.
Artikel 65b.
Niet vatbaar voor beslag zijn:
Hoofdstuk IIB - Reïntegratie-instrumenten
Artikel 65c.
1.Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan aan de verzekerde die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en die arbeid in dienstbetrekking
aanvaardt of verricht, op aanvraag loonsuppletie toekennen, indien zijn
loon lager is dan zijn resterende verdiencapaciteit.
Artikel 65d.
1.Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan aan de verzekerde die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, die arbeid als zelfstandige verricht
of gaat verrichten, op aanvraag inkomenssuppletie toekennen, indien
zijn inkomen uit het bedrijf of beroep lager is dan zijn resterende
verdiencapaciteit.
Artikel 65f.
De
verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
heeft recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en, met
inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen, op de naar
het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
noodzakelijk geachte voorziening gericht op
arbeidsinschakeling.
Artikel 65g.
1.Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan, in het kader van de bevordering van de
inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan de verzekerde die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, om op een
proefplaats bij een werkgever gedurende maximaal zes maanden
onbeloonde werkzaamheden te verrichten.
a.werkzaamheden, waartoe de verzekerde, bedoeld in
het eerste lid, met zijn krachten en bekwaamheden in staat
is;
b.werkzaamheden, waarbij de
werkgever, bij wie de proefplaatsing geschiedt, een aansprakelijkheids-
en ongevallenverzekering ten behoeve van de verzekerde, bedoeld in het
eerste lid, heeft afgesloten;
c.werkzaamheden, die de verzekerde, bedoeld in het
eerste lid, niet reeds eerder onbeloond op een proefplaats bij die
werkgever of diens rechtsvoorganger heeft verricht; en
d.werkzaamheden waarbij er, naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, een reëel uitzicht
is op een op de onbeloonde werkzaamheden aansluitende dienstbetrekking
van dezelfde of grotere omvang voor ten minste 6
maanden.
4.Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste
lid, wegens ziekte worden onderbroken, wordt de periode waarin een
uitkering bij ziekte wordt ontvangen, voor de toepassing van dat lid
buiten beschouwing gelaten.
Artikel 65h.
Bij
ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de aanvraag van loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c,
van inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, de termijn waarbinnen
die aanvraag wordt ingediend, alsmede omtrent de rechtsgevolgen die aan
overschrijding van die termijn zijn verbonden, en met betrekking tot de
aanvraag en van toestemming als bedoeld in artikel
65g.
Artikel 65k.
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de verzekerde, die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, en voor wie de kans
op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor
vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde
additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee
jaar. Artikel 10a, tweede tot en met tiende lid, van de Wet werk en
bijstand is van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk III - De uitvoering der verzekering
§ 1 - Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Artikel 66.
De verzekerde is verzekerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Artikel 67.
Voor de toepassing van deze wet gelden aaneensluitende
verzekeringen bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als één verzekering.
Artikel 71a.
2.De werkgever, bedoeld in het eerste lid, stelt binnen een door Onze
Minister nader te bepalen termijn, in overeenstemming met de verzekerde een plan
van aanpak op. De afspraken die in het plan van aanpak zijn gemaakt worden door
werkgever en verzekerde nageleefd. Het plan van aanpak wordt periodiek
geëvalueerd.
3.Uiterlijk twee weken voordat de termijn is verstreken waarbinnen de
belanghebbende op grond van
artikel 34, derde lid, eerste volzin,
zijn aanvraag voor toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dient te
doen stelt de werkgever, bedoeld in het eerste lid, in overleg met de verzekerde
een reïntegratieverslag op en verstrekt de werkgever hiervan een afschrift aan
de verzekerde.
8.Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in
artikel 34, derde lid, blijkt dat de
werkgever zijn verplichting om een reïntegratieverslag op te stellen niet of
niet volledig is nagekomen, stelt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de werkgever een termijn waarbinnen het
reïntegratieverslag wordt verstrekt of aangevuld.
-
9.Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in
artikel 34, derde lid, en de
beoordeling als bedoeld in
artikel 34a blijkt dat de werkgever
zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede,
derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde
regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen
heeft verricht stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
tijdvak vast, gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht op loon
heeft op grond van
artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van
artikel 76a, eerste lid, van de
Ziektewet.
Dit tijdvak is ten hoogste 52 weken en wordt afgestemd op de periode die nodig wordt geacht om alsnog
voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren.
Artikel 71b.
1.In afwijking van
artikel 71a, is op het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten aanzien van de verzekerde die
op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b, c of d, van de
Ziektewet recht heeft op ziekengeld,
artikel 71a, tweede tot en met het tiende
lid niet van toepassing en is
artikel 71a, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
stelt, binnen een door Onze Minister nader te bepalen termijn, in overleg met
die verzekerde, een plan van aanpak op. Het plan
van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.
2.In afwijking van
artikel 71a, is
artikel 71a, vierde, achtste, negende en tiende
lid, niet van toepassing op de werkgever, wiens verzekerde op
grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g , van de
Ziektewet dan wel op grond van
artikel
29a, eerste of vierde lid, van die wet recht heeft op ziekengeld.
3.In afwijking van het eerste lid is
artikel 71a, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde,
zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing op de
eigenrisicodrager, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de
Ziektewet ten aanzien van de personen, bedoeld in artikel
29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot
hem in dienstbetrekking
stonden.
Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in
artikel 34, derde lid, en de
beoordeling, bedoeld in
artikel 34a, blijkt dat de
eigenrisicodrager, bedoeld in de eerste zin, zonder deugdelijke grond de uit
die zin voortvloeiende verplichtingen dan wel de krachtens het zevende lid
gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende
reïntegratie-inspanningen heeft verricht stelt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een tijdvak vast, gedurende welke de persoon, bedoeld
in de eerste zin, recht op ziekengeld heeft op grond van
artikel 29 van de Ziektewet. Dit
tijdvak is ten hoogste 52 weken en wordt afgestemd op de aard en de ernst van
het verzuim, alsmede op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende
reïntegratie-inspanningen te leveren.
§ 2 - Arbeidsongeschiktheidsfonds en
arbeidsongeschiktheidskas
Hoofdstuk IIIA - Eigen risico dragen door de werkgever
HOOFDSTUK IV - FINANCIERING
§ 1 - Middelen tot dekking van de uitgaven
§ 2 - De basispremie
§ 3 - De gedifferentieerde premie
§ 4 - Premiekorting
Hoofdstuk V - Het verstrekken van inlichtingen
Artikel 80.
1.Degene, die de wachttijd, bedoeld in artikel 19 doormaakt, dan wel aanspraak maakt
op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, diens wettelijke
vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolge
artikel 54 de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit
eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan
het hun redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het
recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat
daarvan wordt uitbetaald. Deze
verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld
op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte
gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële
regeling aan te wijzen administraties. Bij
ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de
tweede zin van toepassing is.
2.Degene aan wie een reïntegratie-instrument
als bedoeld in hoofdstuk IIB is verstrekt of toegekend, of aan wie
verstrekking of toekenning daarvan wordt overwogen, alsmede diens
wettelijk vertegenwoordiger, is verplicht aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen
beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan
het hem redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op
de verstrekking of toekenning of op de duur of de hoogte van het
reïntegratie-instrument.
Hoofdstuk VI - De vrijwillige verzekering
Artikel 81.
Artikel 83.
3.Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd te verklaren dat een verzoek tot
toelating tot de vrijwillige verzekering, ingediend na de daartoe op
grond van deze wet gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn
gedaan, indien de persoon die het verzoek heeft gedaan, redelijkerwijs
niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
Artikel 83b.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
beëindigt de vrijwillige
verzekering:
a.op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang
van een door hem te bepalen datum;
b.met ingang van de dag waarop de vrijwillig
verzekerde op grond van deze wet als werknemer wordt
beschouwd;
c.indien de verschuldigde
premie over een periode van twee volle kalendermaanden niet, niet
volledig of niet tijdig wordt betaald; of
d.indien niet langer wordt voldaan aan de vereisten,
bedoeld in artikel
81.
Artikel 84.
-
1.De persoon, die om toelating tot de vrijwillige verzekering verzoekt,
bepaalt bij de aanvang van de vrijwillige verzekering de hoogte van het
dagloon, met dien verstande dat dit niet meer kan bedragen dan:
2. De uitkering op grond van de vrijwillige verzekering wordt tijdens de
duur, bedoeld in artikel 21a, berekend naar het in het eerste lid
bedoelde dagloon. Dit dagloon wordt eveneens in aanmerking genomen bij de
berekening van het vervolgdagloon, bedoeld in artikel 21b.
Artikel 85.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt nadere regels met
betrekking tot de vrijwillige verzekering. Deze regels bevatten in ieder geval
bepalingen met betrekking tot:
a.de toelating tot de vrijwillige verzekering;
b.het einde van de vrijwillige verzekering; en
c.het dagloon, bedoeld in artikel 84,
eerste lid.
Artikel 86.
Met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk
zijn, met inachtneming van de wijzigingen, welke de aard van het
onderwerp vordert, de bepalingen van de overige hoofdstukken en
de ter uitvoering van die bepalingen genomen besluiten, voor
zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan
in het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet is
afgeweken.
Hoofdstuk VII - Bepalingen in verband met de Algemene
wet bestuursrecht en beroep in cassatie
§ 1 - Algemeen
Artikel 86a.
In
afwijking van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is de
werkgever geen belanghebbende bij een besluit van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen over het verzekerd zijn op
grond van deze wet als bedoeld in artikel 87, eerste
lid.
Artikel 86b.
4.Indien
in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste
lid een in het buitenland wonende persoon is opgeroepen en om die reden
de beschikking niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die
termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van
deze verlenging schriftelijk in kennis
gesteld.
Artikel 87.
2.Indien een beschikking als bedoeld in het eerste lid om
andere dan de in het tweede lid bedoelde redenen niet binnen
dertien weken kan worden gegeven, wordt de aanvrager daarvan
schriftelijk in kennis gesteld onder vermelding van een zo
kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel
tegemoet kan worden gezien.
3.Een beschikking over verlenging van de wachttijd, bedoeld in
artikel 19, eerste lid, op grond van het zevende lid van dat
artikel wordt gegeven binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 87b.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
ten aanzien van de behandeling van bezwaarschriften tegen
beschikkingen waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling
ten grondslag ligt.
Artikel 87c.
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht beslist het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen binnen dertien
weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van
het bezwaarschrift is
verstreken.
Artikel 87d.
1.Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een beschikking waaraan een
medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt,
beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in
afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, binnen
zeventien weken of, indien het advies vraagt aan een deskundige
die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is binnen
eenentwintig weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van
het bezwaarschrift is
verstreken.
2.Indien in
verband met het geven van een beslissing op bezwaar een in het
buitenland wonende persoon is opgeroepen en om die reden de beslissing
op bezwaar niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn gegeven
kan worden, wordt de beslissing, in afwijking van artikel 7:10, derde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verdaagd met ten hoogste zes
maanden en wordt de aanvrager van deze verdaging schriftelijk in kennis
gesteld.
Artikel 87e.
Het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 38, tweede of
derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde
opslag of korting kan niet zijn gegrond op de grief, dat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is
vastgesteld.
Artikel 87f.
§ 2 - Medische
beschikkingen
Artikel 88.
Voor de
toepassing van deze paragraaf wordt verstaan
onder:
a.medische beschikking: een beschikking waaraan een
beoordeling van medische gegevens ten grondslag ligt;
b.werknemer: de persoon op wiens medische gegevens
de beoordeling betrekking heeft;
c.werkgever: de belanghebbende bij een medische
beschikking, die niet de werknemer
is.
Artikel 88a.
Artikel 88b.
1.Indien door de werknemer geen toestemming is
gegeven als bedoeld in artikel 88a, is de inzage, dan wel kennisname of
toezending van stukken die medische gegevens bevatten, voorbehouden aan
een gemachtigde van de werkgever die advocaat of arts is dan wel
daarvoor van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
bijzondere toestemming heeft gekregen.
-
2.De gemachtigde, bedoeld in het eerste lid, treedt
in de plaats van de werkgever
bij:
a.de voorbereiding van een medische
beschikking;
b.het opstellen van een
bezwaar- of beroepschrift; en
c.de
behandeling van een bezwaar;
voorzover betrekking hebbend op medische
gegevens.
Artikel 88c.
Artikel 88d.
Bij de
bekendmaking van een medische beschikking wordt gewezen op de artikelen
88a, 88b, 88c en 88e.
Artikel 88e.
De gronden
van het bezwaar of beroep, bedoeld in artikel 6:5, eerste lid,
onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht, worden in een aparte
bijlage vermeld voorzover ze betrekking hebben op medische
gegevens.
Artikel 88f.
Artikel 88g.
Artikel
88f is van overeenkomstige toepassing bij de behandeling van het hoger
beroep en bij de behandeling van een verzoek om een voorlopige
voorziening.
Hoofdstuk VIII - De invloed van de verzekering op het
burgerlijk recht
Artikel 89.
Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de
verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake
van zijn arbeidsongeschiktheid, houdt de rechter rekening met de
aanspraken, die hij krachtens deze wet heeft.
Artikel 90.
1.Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft voor
de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die
in verband met het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid
jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot
schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het
bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken
krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou
zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de
schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke
persoon jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is
gehouden.
3.De in
het eerste lid bedoelde aansprakelijke is eveneens verplicht tot
vergoeding van de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen gemaakte
redelijke kosten ter nakoming van de verplichtingen tot inschakeling in
de arbeid van de verzekerde, die op het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen rusten op grond van
deze wet en de daarop rustende bepalingen alsmede de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de daarop berustende
bepalingen. De aansprakelijke kan hetzelfde verweer voeren dat hem
jegens de verzekerde ten dienste zou hebben
gestaan.
Artikel 91.
1.Het bepaalde in het vorige
artikel geldt ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot
schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde, onderscheidenlijk ten
aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte
verzekerde, die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de
verzekerde jegens wie naar burgerlijk recht verplichting tot schadevergoeding
bestaat, slechts indien de arbeidsongeschiktheid is te wijten aan opzet of
bewuste roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk verzekerde.
Hoofdstuk VIIIA - Overgangsbepalingen
Artikel 91a.
De artikelen 20, 43b, en 47a, zijn niet van toepassing op de
persoon
die:
a)op 31 december 1999 op grond van artikel 18
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op die dag niet
in Nederland woont, en
b)op
19 december 2005 dit recht op uitkering uitsluitend nog heeft op
grond van artikel 2 van de wet van 9 december 2004, houdende
goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het op 28 juni
1962 te Genève totstandgekomen Verdrag betreffende de gelijkheid
van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen met betrekking
tot de sociale zekerheid (Verdrag Nr. 118 aangenomen door de
Internationale Arbeidsconferentie in haar zesenveertigste zitting; Trb.
1962, 122 en Trb. 1964, 23) (Stb. 2004,
715).
Artikel 91b.
1.Ten aanzien van de persoon wiens eerste dag van arbeidsongeschiktheid
is gelegen voor 1 januari 2004 blijven de artikelen 19, met uitzondering van het
tweede lid, laatste zin, 34 en 75a van
toepassing zoals deze luidden op 31 december 2003, met dien verstande dat het krachtens
artikel 75a, vierde lid, tweede zin, te verhalen bedrag respectievelijk
het krachtens artikel 75a, vijfde lid, aan 's Rijks kas af te dragen
bedrag wordt vermeerderd met de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld
in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, over de
uitkering.
3.Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden perioden van ongeschiktheid
tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode van ongeschiktheid te
vormen, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op
een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling
op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de
Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak.
Artikel 91c.
Zo nodig in afwijking van de overige
artikelen van dit hoofdstuk blijven de artikelen 75a, derde lid, en
76f, vijfde lid, zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van
de Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en
enige andere wetten in verband met het tot stand brengen van een recht
op langdurend zorgverlof en het aanbrengen van enkele verbeteringen
(Stb. 274) van toepassing voor de duur van de periode waarin op grond
van artikel IXa van die wet recht bestaat op een financiële
tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en
zorg.
Artikel 91d.
3.De persoon wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken als gevolg van de
toepassing van artikel 34, vierde lid, van deze wet, artikel 35, vijfde
lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of
artikel 3:28, vijfde lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, of de persoon, bedoeld in artikel 2, derde lid, van
het Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten,
wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken, wordt gedurende
vijf jaar na de dag van intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aangemerkt als verzekerde in de zin van
artikel 65c en
65d.
Artikel 91f.
Artikel 91g.
Artikel 91h.
In gedingen aangevangen voor het van toepassing worden van artikel
90, vierde lid, bepaalt de rechter op verzoek van een van de partijen
of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de gelegenheid wordt
geboden hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te passen aan
artikel 90, vierde lid. Stelt de rechter partijen tot een zodanige
aanpassing in de gelegenheid, dan staat tegen die beslissing geen
rechtsmiddel open; wijst de rechter een daartoe strekkend verzoek af,
dan staat een rechtsmiddel daartegen slechts gelijktijdig met de
einduitspraak
open.
Artikel 91i*.
Met betrekking tot de afwikkeling van zaken die
verband houden met het zijn van eigenrisicodrager gelegen voor de datum
van inwerkingtreding van de artikelen IV en V van de Wet harmonisatie
en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, blijven de artikelen 1,
onderdeel f, 65i, eerste lid, 71, 87e, 90 en 91e en hoofdstuk IIIA
alsmede de artikelen 40 en 122e van de Wet financiering sociale
verzekeringen zoals deze artikelen en dat hoofdstuk luidden op de dag
voor de inwerkingtreding van de artikelen IV en V van de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, van
toepassing.
Hoofdstuk IX - Strafbepalingen
Artikel 92.
Hij die niet voldoet aan de verplichting, omschreven in
artikel 12, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 96.
Een
gedraging die in strijd is met een krachtens deze wet
uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover
uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel
aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een
maand of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 98.
De in artikelen 92 en
96 bedoelde strafbare feiten
zijn overtredingen.
Hoofdstuk X - Slotbepalingen
Artikel 98a.
1.Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van
geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid,
gesloten door degene, die verplicht verzekerd wordt, vervalt
met ingang van de dag, waarop de verzekeraar van de
verzekerde mededeling van het verplicht verzekerd worden
ontvangt, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen
worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke uit de in deze
wet geregelde verplichte verzekering voortvloeien. Bereikt
deze mededeling de verzekeraar vóór de dag, waarop de
betrokkene verplicht verzekerd wordt, dan vervalt de
overeenkomst met ingang van die dag.
2. De premie, welke degene, wiens verzekering krachtens het
bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk is
vervallen, heeft vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar
al naar gelang van het vervallen gedeelte der overeenkomst
terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25 procent van
het terug te betalen bedrag voor administratiekosten.
Artikel 98b.
De
Algemene termijnenwet is niet van
toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 6, tweede lid, onder a en
c, 17, eerste lid, 19, tweede en derde lid,
21a, 38, 39, eerste
lid, 39a, 43a, 47, eerste, tweede, derde en vierde lid, en
53.
Artikel 98c.
Onze Minister kan ter bevordering van de veiligheid van de
arbeid van verzekerden alsmede van de gezondheid van verzekerden
bij de arbeid, regelen stellen inzake het door de werkgever
vastleggen van gegevens en het verstrekken van inlichtingen door
de werkgever aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en een bij die regelen aan te wijzen
instelling omtrent bedrijfsongevallen en beroepsziekten.
Artikel 98d.
Artikel 14 en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden op de
dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A,
van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten,
blijven van toepassing op de persoon wiens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
is ontstaan voor de datum van inwerkingtreding van dat artikel, met betrekking
tot die arbeidsongeschiktheidsuitkering. Met betrekking tot de artikelen 40,
eerste lid, en 48, derde lid, is de eerste zin niet van toepassing.
Artikel 98e.
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend voor de inwerkingtreding
van de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten,
dan wel daarna met toepassing van artikel 91b, worden geacht te zijn toegekend
voor onbepaalde tijd.
Artikel 98f.
1.De
artikelen 39b en 43a, zesde lid, alsmede 47, zevende lid, zoals die
zijn komen te luiden na inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en
vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, zijn niet van toepassing op
de persoon wiens arbeidsongeschiktheid voor de dag van inwerkingtreding
van die wet is toegenomen als bedoeld in de artikelen 38 tot en met
39a, 43a of 47, tot het moment waarop in verband met diezelfde toename
van de arbeidsongeschiktheid geen recht meer bestaat op ziekengeld op
grond van de Ziektewet.
2.Artikel
43a, vierde lid, onderdeel b, zoals dat luidde op de dag voor
inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving blijft van toepassing op de persoon die op
of voor de dag van inwerkingtreding van die wet arbeidsongeschikt werd
als bedoeld in artikel 43a, eerste lid.
Artikel 99.
Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt door
Onze Minister geregeld.
Artikel 100.
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering".
Artikel 100a.
Na de plaatsing van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in het
Staatsblad wordt de tekst van
die wet, zo nodig, door de zorg van Onze Minister van Justitie,
opnieuw in het Staatsblad geplaatst,
waarbij vernummeringen en daarmede verband houdende wijzigingen
in aanhalingen worden aangebracht.
Artikel 101.
De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van een
door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheidene
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat
alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en
Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk , 18 februari 1966
JULIANA.
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G. M. J. VELDKAMP.
Uitgegeven de zeventiende maart 1966.
De Minister van Justitie,
SAMKALDEN.