Wet van 16 juni 2005, houdende regeling van een sociale verzekering
voor geneeskundige zorg ten behoeve van de gehele bevolking (Zorgverzekeringswet)
Wij Beatrix...
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen
te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk
is dat de gehele bevolking onder voor ieder gelijke sociale
voorwaarden verzekerd is tegen de gevolgen van behoefte aan
geneeskundige zorg;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1 - Algemene bepaling
Artikel 1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a.verzekeraar: een verzekeringsonderneming als bedoeld in de
eerste richtlijn schadeverzekering;
b.zorgverzekeraar: een verzekeraar, voor zover deze
zorgverzekeringen aanbiedt of uitvoert;
c.verzekeringnemer: een persoon die met een zorgverzekeraar een
zorgverzekering heeft gesloten;
d.zorgverzekering: een tussen een zorgverzekeraar en een
verzekeringnemer ten behoeve van een verzekeringsplichtige
gesloten schadeverzekering, die voldoet aan hetgeen daarover bij
of krachtens deze wet is geregeld, en waarvan de verzekerde
prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te boven gaan;
e.verzekeringsplichtige: degene die op grond van artikel 2
verplicht is zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of
te laten verzekeren;
f.verzekerde: degene wiens risico van behoefte aan zorg of overige diensten, als bedoeld in artikel 10, door een zorgverzekering wordt gedekt;
g.verplicht eigen risico:
een bedrag aan kosten van zorg of overige diensten als bedoeld bij of
krachtens artikel 11, dat voor rekening van de verzekerde
blijft;
h.vrijwillig eigen risico: een door de verzekeringnemer met de
zorgverzekeraar als onderdeel van de zorgverzekering
overeengekomen bedrag aan kosten van zorg of overige diensten
als bedoeld bij of krachtens artikel 11, dat de verzekerde voor
zijn rekening zal nemen;
i.zorgpolis: de akte waarin de tussen een verzekeringnemer en
een zorgverzekeraar gesloten zorgverzekering is vastgelegd;
j.modelovereenkomst: model van een
zorgverzekering, waarin een overzicht wordt gegeven van de rechten en
plichten die de verzekeringnemer, de verzekerde en de zorgverzekeraar
jegens elkaar zullen hebben indien een overeenkomst volgens het
desbetreffende model wordt
gesloten;
k.sociaal-fiscaalnummer: het nummer, bedoeld in artikel 2, derde
lid, onderdeel
k, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
l.inhoudingsplichtige: de inhoudingsplichtige in de zin van de
Wet op de loonbelasting 1964 dan wel de werkgever in de zin van
de Wet financiering sociale verzekeringen;
-
m.instelling:
1°.een instelling in de zin van de Wet toelating zorginstellingen;
2°.een organisatorisch verband dat gevestigd is buiten het grondgebied van het Europese deel van Nederland en overeenkomstig de daar geldende wetgeving rechtmatig gezondheidszorg verstrekt als bedoeld bij en krachtens artikel 11;
n.Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
o.zorgautoriteit: de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet
marktordening
gezondheidszorg;
p.College zorgverzekeringen: het College voor zorgverzekeringen,
genoemd in artikel 58, eerste lid;
q.Zorgverzekeringsfonds: het fonds, genoemd in artikel 39;
r.eerste richtlijn schadeverzekering: richtlijn nr. 73/239/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1973 tot
coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met
uitzondering van de levensverzekeringsbranche en de uitoefening
daarvan (PbEG L 228);
s.generieke verevening: bijstelling van het deelbedrag op basis
van het verschil per zorgverzekeraar tussen de kosten en het
deelbedrag in relatie met de verschillen tussen de kosten en het
deelbedrag bij andere zorgverzekeraars, per onderscheiden
categorie van prestaties;
t.loontijdvak:
het loontijdvak, bedoeld in artikel 25, eerste en vierde lid, van de
Wet op de loonbelasting 1964;
u.inspecteur: de
functionaris van de rijksbelastingdienst die als zodanig bij regeling
van Onze Minister van Financiën is
aangewezen;
v.burgerservicenummer:
het nummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene
bepalingen
burgerservicenummer;
w.het CAK: het CAK, genoemd in artikel 48, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
x.premie: de
premie, bedoeld in afdeling 3.3.1;
y.bestuursrechtelijke
premie: de premie, bedoeld in de
artikelen 18d en
18e.
Hoofdstuk 2 - De plicht tot het sluiten van een zorgverzekering
Paragraaf 2.1 - De verzekeringsplicht
Artikel 2.
3.Degene die het gezag over een minderjarige, jonger dan
achttien jaar, uitoefent, een curator, een bewindvoerder of een
mentor als bedoeld in de titels 16, 19 of 20 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek, zorgt ervoor dat de minderjarige
verzekeringsplichtige, dan wel de onder curatele, bewind of
mentorschap gestelde verzekeringsplichtige krachtens een
zorgverzekering verzekerd is.
Paragraaf 2.2 - De acceptatieplicht
Artikel 3.
3.De zorgverzekeraar stelt alle varianten van de zorgverzekering
die hij in een provincie aanbiedt, in de vorm van
modelovereenkomsten ter beschikking aan personen die overwegen
ten behoeve van een in die provincie wonende
verzekeringsplichtige een zorgverzekering met die verzekeraar te
sluiten, alsmede, indien de zorgverzekeraar varianten toevoegt
of wijzigt, aan de verzekeringnemers die ten behoeve van een in
die provincie wonende verzekeringsplichtige een zorgverzekering
met hem hebben gesloten.
6.In afwijking van het derde lid worden degene die ten behoeve
van een in het buitenland wonende verzekeringsplichtige een
zorgverzekering wenst te sluiten alle modelovereenkomsten die de
zorgverzekeraar in Nederland hanteert ter beschikking gesteld,
en worden, indien eenmaal een zorgverzekering is gesloten, de
verzekeringnemer alle toegevoegde of gewijzigde varianten die
die zorgverzekeraar aanbiedt ter beschikking gesteld.
Artikel 4.
1.Degene
die een zorgverzekering wenst te sluiten, vermeldt bij het verzoek
daartoe indien de te verzekeren persoon over een van deze nummers
beschikt, diens burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
diens
sociaal-fiscaalnummer.
Paragraaf 2.3 - Begin en einde van de zorgverzekering
Artikel 5.
2.Indien de zorgverzekeraar op basis van het in het eerste lid
bedoelde verzoek niet vast kan stellen of hij verplicht is voor
de te verzekeren persoon een zorgverzekering te sluiten, en hij
de persoon die de verzekering wenst te sluiten in verband
daarmee uitnodigt de voor deze vaststelling noodzakelijke
gegevens te verschaffen, gaat de zorgverzekering, in afwijking
van het eerste lid, in op de dag waarop laatstbedoelde persoon
aan dit verzoek heeft voldaan.
-
3.De zorgverzekeraar verstrekt degene die het verzoek, bedoeld
in het eerste lid, doet en, indien dit een ander is dan degene
ten behoeve van wiens verzekering het verzoek is gedaan,
laatstbedoelde persoon onverwijld:
a.een bewijs van het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
waarop de datum van ontvangst is vermeld;
b.een bewijs van de ontvangst van gegevens, bedoeld in het
tweede lid, waarop de datum van de ontvangst is vermeld.
4.Indien degene ten behoeve van wie de zorgverzekering wordt
gesloten op de dag waarop de zorgverzekeraar het verzoek,
bedoeld in het eerste lid, ontvangt reeds op grond van een
zorgverzekering verzekerd is, en de verzekeringnemer aangeeft de
zorgverzekering te willen laten ingaan op een door hem
aangegeven, latere dag dan de dag, bedoeld in het eerste of
tweede lid, gaat de verzekering op die latere dag in.
Artikel 6.
2.De zorgverzekering eindigt van rechtswege met ingang van de
eerste dag van de tweede maand volgende op de dag waarop de
verzekerde, zonder dat zijn verzekeringsplicht eindigt, ten
gevolge van verhuizing komt te wonen buiten een provincie waarin
zijn zorgverzekeraar de ten behoeve van hem gesloten variant van
de zorgverzekering aanbiedt of uitvoert.
3.De zorgverzekeraar stelt de verzekeringnemer uiterlijk twee
maanden voordat een zorgverzekering op grond van het eerste lid,
onderdeel a of b, eindigt, van dit einde op de hoogte, onder
vermelding van de reden daarvan en de datum waarop de
verzekering eindigt.
4.De verzekeringnemer stelt de zorgverzekeraar onverwijld op de
hoogte van alle feiten en omstandigheden over de verzekerde die
op grond van het eerste lid, onderdeel c of d, dan wel het
tweede lid tot het einde van de zorgverzekering hebben geleid of
kunnen leiden.
5.Indien de zorgverzekeraar op grond van de in het vierde lid
bedoelde gegevens tot de conclusie komt dat de zorgverzekering
zal eindigen of geëindigd is, deelt hij dit, onder vermelding
van de reden daarvan en de datum waarop de verzekering eindigt
of geëindigd is, onverwijld aan de verzekeringnemer mede.
Artikel 7.
5.In afwijking van het vierde lid gaat een opzegging, bedoeld in
het tweede lid, in met ingang van de dag waarop de verzekerde
krachtens de andere zorgverzekering verzekerd wordt, indien die
opzegging voorafgaande aan laatstbedoelde dag door de
zorgverzekeraar is ontvangen.
Artikel 8.
1.Aan een opzegging of ontbinding van de zorgverzekering wegens
het niet betalen van de verschuldigde premie, wordt geen
terugwerkende kracht verleend,
noch wordt daaraan een verplichting verbonden tot ongedaanmaking of
vergoeding van hetgeen partijen reeds ter nakoming van de
zorgverzekering jegens elkaar hebben
verricht.
Artikel 8a.
1.Nadat
de zorgverzekeraar de verzekeringnemer heeft aangemaand tot betaling
van een of meer vervallen termijnen van de verschuldigde premie, kan de
verzekeringnemer gedurende de tijd dat de verschuldigde premie, rente
en incassokosten niet zijn voldaan, de zorgverzekering niet opzeggen,
tenzij de zorgverzekeraar de zorgverzekering of de dekking daarvan
heeft geschorst of
opgeschort.
Artikel 9.
1.De zorgverzekeraar verstrekt de verzekeringnemer en, indien
deze een ander is dan de verzekeringnemer, de verzekerde zo
spoedig mogelijk na het sluiten van de zorgverzekering en
vervolgens voorafgaande aan ieder kalenderjaar een zorgpolis.
-
2.Indien de zorgverzekering eindigt, verstrekt de
zorgverzekeraar de verzekeringnemer en, indien deze een ander is
dan de verzekeringnemer, de verzekerde een bewijs van het einde
van de zorgverzekering, waarop worden aangetekend:
a.naam, adres, woonplaats en burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de verzekerde;
b.naam, adres en woonplaats van de verzekeringnemer;
c.naam, adres en woonplaats van de zorgverzekeraar;
d.de dag waarop de zorgverzekering eindigt;
e.of voor de verzekerde op die dag een vrijwillig eigen risico gold en
zo ja, met welke ingangsdatum, voor welk bedrag en met welke
in verband daarmee verleende korting.
Paragraaf 2.4 - Maatregelen
gericht op verzekering van onverzekerden
Artikel 9a.
2.Het
College zorgverzekeringen zendt een verzekeringsplichtige als bedoeld
in het eerste lid een schriftelijke aanmaning om zich binnen een
termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van verzending van
de aanmaning, alsnog op grond van zo'n verzekering te verzekeren of te
laten verzekeren.
Artikel 9b.
1.Indien
een verzekeringsplichtige aan wie een aanmaning als bedoeld in artikel
9a is verzonden, niet binnen drie maanden na verzending daarvan
verzekerd is, legt het College zorgverzekeringen hem dan wel, indien de
verzekeringsplichtige minderjarig is, degene die het gezag over hem
uitoefent, een bestuurlijke boete op.
5.Tegelijk
met de oplegging van de boete deelt het College zorgverzekeringen mee
wat de gevolgen zullen zijn indien de verzekeringsplichtige niet binnen
een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de dag van verzending
van de beschikking tot oplegging van de boete, alsnog verzekerd zal
zijn.
Artikel 9c.
1.Indien
een verzekeringsplichtige aan wie de boete, bedoeld in artikel 9b, is
opgelegd, niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 9b, vijfde lid,
alsnog verzekerd is, legt het College zorgverzekeringen hem dan wel,
indien hij minderjarig is, degene die het gezag over hem uitoefent
nogmaals een bestuurlijke boete op.
3.De
boetebeschikking, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een
last, inhoudende dat de verzekeringsplichtige binnen drie maanden na de
verzending van de last alsnog krachtens een zorgverzekering verzekerd
dient te zijn, bij gebreke waarvan het College zorgverzekeringen
artikel 9d zal toepassen.
Artikel 9d.
1.Indien
een verzekeringsplichtige aan wie de bestuurlijke boete en de last,
bedoeld in artikel 9c, is opgelegd, niet binnen drie maanden na
verzending van de beschikking tot oplegging daarvan alsnog verzekerd
is, sluit het College zorgverzekeringen namens hem een zorgverzekering
waarin hij hem verzekert.
2.Het
College zorgverzekeringen kiest de zorgverzekeraar waarmee een
zorgverzekering als bedoeld in het eerste lid wordt gesloten, met dien
verstande dat het zorgt voor een spreiding van zorgverzekeringen als
bedoeld in dat lid over alle zorgverzekeraars, naar evenredigheid van
het aantal verzekerden bij iedere zorgverzekeraar.
3.Indien
een zorgverzekeraar verschillende varianten van de zorgverzekering
aanbiedt, sluit het College zorgverzekeringen een zorgverzekering
overeenkomstig de variant met de laagste premie, maar zonder
collectiviteitskorting als bedoeld in artikel 18 en zonder vrijwillig
eigen risico.
5.Degene
die op grond van het eerste lid door het College zorgverzekeringen
verzekerd is, kan de desbetreffende verzekering gedurende een periode
van twee weken, te rekenen vanaf de datum waarop dat college hem
daarvan mededeling heeft gedaan, vernietigen, indien hij jegens dat
college alsmede jegens de zorgverzekeraar bij wie die zorgverzekering
is gesloten, aantoont in de periode, bedoeld in dat lid, reeds
krachtens een andere zorgverzekering verzekerd te zijn
geraakt.
6.In
afwijking van artikel 931 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is een
zorgverzekeraar bevoegd een met hem gesloten verzekeringsovereenkomst
wegens dwaling te vernietigen, indien achteraf blijkt dat degene die
het College zorgverzekeringen bij hem verzekerde op dat moment niet
verzekeringsplichtig was.
7.Zonodig
in afwijking van artikel 7, kan, tenzij het vierde lid van dat artikel
van toepassing is, een verzekeringnemer een zorgverzekering als bedoeld
in het eerste lid niet opzeggen gedurende de eerste twaalf maanden
waarover deze
loopt.
Hoofdstuk 3 - De inhoud van de zorgverzekering
Paragraaf 3.1 - Het te verzekeren risico
Artikel 10.
Het krachtens de zorgverzekering te verzekeren risico is de
behoefte aan:
a.geneeskundige zorg, waaronder de integrale eerstelijnszorg
zoals die door huisartsen en verloskundigen pleegt te geschieden;
b.mondzorg;
c.farmaceutische zorg;
d.hulpmiddelenzorg;
e.verpleging;
f.verzorging, waaronder de kraamzorg;
g.verblijf in verband met geneeskundige zorg;
h.vervoer in verband met het ontvangen van zorg of diensten
als bedoeld in de onderdelen a tot en met g, dan wel in
verband met een aanspraak op grond van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten.
Paragraaf 3.2 - De te verzekeren prestaties
Artikel 11.
-
1.De zorgverzekeraar heeft jegens zijn verzekerden een
zorgplicht die zodanig wordt vormgegeven, dat de verzekerde bij
wie het verzekerde risico zich voordoet, krachtens de
zorgverzekering recht heeft op prestaties bestaande uit:
a.de zorg of de overige diensten waaraan hij behoefte heeft, of
b.vergoeding van de kosten van deze zorg of overige diensten
alsmede, desgevraagd, activiteiten gericht op het verkrijgen
van deze zorg of diensten.
5.Een zorgverzekeraar kan modelovereenkomsten aanbieden waarin,
in geringe afwijking van het bepaalde bij of krachtens het
eerste en derde lid, bepaalde om ethische of
levensbeschouwelijke redenen controversiële prestaties buiten de
dekking van de zorgverzekering blijven.
Artikel 11a.
1.Een verzekerde heeft recht op een door het CAK te verstrekken, van de draagkracht afhankelijke tegemoetkoming voor een kalenderjaar in de kosten voor zorg zoals psychiaters of klinisch psychologen die plegen te bieden, die op grond van artikel 11, derde lid, in dat jaar voor zijn rekening zijn gekomen.
2.De tegemoetkoming is gelijk aan het bedrag dat op grond van artikel 11, derde lid, voor zorg als bedoeld in het eerste lid, voor rekening van de verzekerde is gekomen.
3.Het CAK neemt het burgerservicenummer van de personen, bedoeld in het eerste lid, en van hun partners, met het oog op de uitvoering van dit artikel in zijn administratie op.
4.De zorgverzekeraars verstrekken aan het CAK de persoonsgegevens van de personen, bedoeld in het eerste lid, waaronder het burgerservicenummer, de geboortedatum, het rekeningnummer, de woonplaats en gegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 12.
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter bescherming van
het algemeen belang vormen van zorg of overige diensten worden
aangewezen die de zorgverzekeraar slechts verstrekt of vergoedt
indien tussen hem en de aanbieder van de desbetreffende zorg of
dienst een overeenkomst over de te leveren zorg of dienst en de
daarvoor in rekening te brengen prijs is gesloten, dan wel
indien de aanbieder bij hem in dienst is.
2.Bij deze algemene maatregel van bestuur kunnen tevens vormen
van zorg of overige diensten worden aangewezen waarvoor de
zorgverzekeraar met iedere instelling die binnen zijn werkgebied
is gelegen of waarvan zijn verzekerden naar verwachting
regelmatig gebruik zullen maken, op haar verzoek een
overeenkomst als bedoeld in het eerste lid sluit.
3.Een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel m, onder
1°, die voor een in het tweede lid bedoelde vorm van zorg of
dienst een overeenkomst met een zorgverzekeraar heeft gesloten,
is verplicht desgevraagd met een andere zorgverzekeraar een
gelijke overeenkomst te sluiten.
Artikel 13.
1.Indien een verzekerde krachtens zijn zorgverzekering een
bepaalde vorm van zorg of een andere dienst dient te betrekken
van een aanbieder met wie zijn zorgverzekeraar een overeenkomst
over deze zorg of dienst en de daarvoor in rekening te brengen
prijs heeft gesloten of van een aanbieder die bij zijn
zorgverzekeraar in dienst is, en hij deze zorg of andere dienst
desalniettemin betrekt van een andere aanbieder, heeft hij recht
op een door de zorgverzekeraar te bepalen vergoeding van de voor
deze zorg of dienst gemaakte kosten.
3.Indien bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 11, is bepaald dat een deel van de kosten van
een bepaalde vorm van zorg of van een bepaalde andere dienst
voor rekening van de verzekerde komt, verwerkt de
zorgverzekeraar dit in de wijze waarop hij de vergoeding voor de
desbetreffende vorm van zorg of dienst berekent.
4.De wijze waarop de vergoeding wordt berekend is voor alle
verzekerden, bedoeld in het eerste lid, die in een zelfde
situatie een zelfde vorm van zorg of dienst behoeven, gelijk.
5.Indien een
overeenkomst tussen een zorgverzekeraar en een aanbieder als bedoeld in
het eerste lid wordt beëindigd, houdt een verzekerde die op het
moment van beëindiging van de overeenkomst zorg ontvangt van
deze aanbieder, recht op zorgverlening door die aanbieder voor rekening
van deze
zorgverzekeraar.
Artikel 14.
2.De
zorgverzekeraar neemt in zijn modelovereenkomst op dat geneeskundige
zorg zoals medisch-specialisten die plegen te bieden, met uitzondering
van acute zorg, slechts toegankelijk is na verwijzing door in die
overeenkomst aangewezen categorieën zorgaanbieders, waaronder in
ieder geval de huisarts.
4.In de regels, bedoeld in het derde lid, kunnen voor de in dat
lid bedoelde indicatie afzonderlijke regels worden gesteld en
kunnen vormen van zorg of andere diensten worden aangewezen
waarvoor het derde lid niet geldt.
6.Voor
zover een verzekerde ingevolge zijn zorgverzekering
toestemming behoeft van de zorgverzekeraar dan wel een
verwijzing of een recept van een deskundige is vereist voor het
verkrijgen van de verzekerde prestaties, en de verzekerde in het bezit
is van deze toestemming, deze verwijzing of dit recept, geldt die
toestemming, die verwijzing of dat recept als titel voor het verkrijgen
van de verzekerde prestaties gedurende de periode waarvoor de
toestemming is verleend of de verwijzing of het recept geldig is, en
verlangt een nieuwe zorgverzekeraar niet nogmaals dat toestemming wordt
gevraagd of dat een verwijzing of recept wordt
overgelegd.
Artikel 15.
Paragraaf 3.3 - De premie, de gevolgen van het niet
betalen van de premie en de bestuursrechtelijke
premie
Afdeling 3.3.1 - De
premie
Artikel 16.
Jurisprudentie
Artikel 17.
Jurisprudentie
2.De grondslag van de premie is gelijk voor varianten die wat
betreft de te verzekeren prestaties als bedoeld in artikel 11,
eerste lid, of de keuzemogelijkheden tussen aanbieders van zorg
of van overige diensten als bedoeld in dat lid, niet van elkaar verschillen.
3.Indien de zorgverzekeraar gebruik maakt van zijn bevoegdheid,
bedoeld in artikel 11, vijfde
lid, is de grondslag van de premie
gelijk aan de grondslag die hij heeft of zou hebben vastgesteld
voor een modelovereenkomst met volledige dekking.
5.De verschuldigde premie is gelijk aan de grondslag van de
premie behorende bij de variant van de zorgverzekering die de
verzekeringnemer gekozen heeft, verminderd met de
premiekortingen, bedoeld in de artikelen 18, vierde lid, of 20,
indien deze van toepassing zijn.
Artikel 18.
Jurisprudentie
5.Het eerste tot en met vierde lid zijn tevens van toepassing
ten aanzien van een rechtspersoon, niet zijnde een werkgever,
met betrekking tot de verzekering van natuurlijke personen wier
belangen die rechtspersoon behartigt.
Afdeling 3.3.2 - De gevolgen van het niet betalen van
de premie en de bestuursrechtelijke
premie
Artikel 18a.
Jurisprudentie
-
3.Indien de
verzekeringnemer een ander heeft verzekerd en ten aan zien van diens
verzekering een premie-achterstand als bedoeld in het eerste lid is
ontstaan, omvat het aanbod, bedoeld in het eerste lid, tevens een
bereidverklaring opzegging van deze verzekering met ingang van de dag
waarop de betalingsregeling van kracht wordt, te aanvaarden,
mits:
a.de
verzekerde zichzelf uiterlijk met ingang van dezelfde dag krachtens een
andere zorgverzekering verzekerd heeft,
en
b.deze, indien deze
zorgverzekering bij dezelfde zorgverzekeraar is gesloten, terzake van
de premie voor deze verzekering een volmacht of opdracht als bedoeld in
het tweede lid, onderdeel a, heeft gegeven.
4.Tegelijk
met het aanbod deelt de zorgverzekeraar de verzekeringnemer
schriftelijk mee dat deze een termijn van vier weken heeft om het te
aanvaarden, waarbij de verzekeraar bovendien aangeeft wat de gevolgen
zullen zijn indien het aanbod niet wordt aanvaard en de premieschuld,
rente en incassokosten buiten beschouwing gelaten, tot zes of meer
maandpremies zal zijn opgelopen, en wijst hij de verzekeringnemer op de
mogelijkheid van schuldhulpverlening, waarbij hij tevens informatie
verstrekt over de vormen hiervan en wijze waarop deze kan worden
verzocht.
5.Indien
het derde lid van toepassing is, zendt de zorgverzekeraar de verzekerde
tegelijk met de verzending van de in het eerste tot en met vierde lid
bedoelde stukken aan de verzekeringnemer, afschriften van deze
stukken.
Artikel 18b.
1.Zo
spoedig mogelijk nadat ten aanzien van een zorgverzekering, rente en
incassokosten buiten beschouwing latend, een achterstand in de betaling
van de verschuldigde premie ter hoogte van vier maandpremies is
geconstateerd, deelt de zorgverzekeraar de verzekeringnemer en, indien
deze een ander is dan de verzekeringnemer, de verzekerde mee dat hij
voornemens is over te gaan tot de melding, bedoeld in artikel 18c,
zodra de premieschuld de daar bedoelde hoogte zal hebben bereikt,
tenzij de verzekeringnemer of de verzekerde hem uiterlijk vier weken na
ontvangst van de mededeling heeft laten weten, het bestaan van de
schuld of de hoogte ervan te betwisten.
2.Ingeval
van tijdige betwisting als bedoeld in het eerste lid deelt de
zorgverzekeraar, indien deze na onderzoek zijn standpunt handhaaft, de
verzekeringnemer en, indien deze een ander is dan de verzekeringnemer,
de verzekerde mee dat hij het voornemen tot melding tot uitvoering zal
brengen zodra de premieschuld de in artikel 18c, eerste lid, bedoelde
hoogte zal hebben bereikt, tenzij de verzekeringnemer of de verzekerde
binnen een termijn van vier weken na ontvangst van de in dit lid
bedoelde mededeling een geschil hierover heeft voorgelegd aan een
onafhankelijke instantie als bedoeld in artikel 114 of aan de
burgerlijke rechter.
3.Indien
een betalingsregeling als bedoeld in artikel 18a ingaat nadat ten
aanzien van de zorgverzekering, rente en incassokosten buiten
beschouwing latend, een achterstand in de betaling van de verschuldigde
premie ter hoogte van vier maandpremies is ontstaan, laat de
zorgverzekeraar de in het eerste lid bedoelde melding achterwege zolang
de nieuw vervallende termijnen van de premie worden
voldaan.
Artikel 18c.
Jurisprudentie
1.Indien
ten aanzien van een zorgverzekering, rente en incassokosten buiten
beschouwing latend, een premieschuld ter hoogte van zes of meer
maandpremies is ontstaan, meldt de zorgverzekeraar dit, onder
vermelding van de voor de heffing van de bestuursrechtelijke premie
alsmede voor de uitvoering van artikel 34a noodzakelijke
persoonsgegevens van de verzekeringnemer en de verzekerde, aan het
College zorgverzekeringen, de verzekeringnemer en, indien deze een
ander is dan de verzekeringnemer, aan de verzekerde.
Artikel 18d.
Jurisprudentie
1.De
verzekeringnemer is aan het College zorgverzekeringen een
bestuursrechtelijke premie verschuldigd vanaf de eerste dag van de
maand volgende op de maand waarin dat college de melding, bedoeld in
artikel 18c, heeft ontvangen tot de eerste dag van de maand volgende op
de maand waarin de datum, bedoeld in het derde lid, ligt.
-
3.De
zorgverzekeraar stelt het College zorgverzekeringen, de
verzekeringnemer en, indien deze een ander is dan de verzekeringnemer,
de verzekerde, met het oog op de toepassing van het eerste lid
onverwijld op de hoogte van de datum
waarop:
a.de
uit de zorgverzekering voortvloeiende schulden zijn of zullen zijn
afgelost of
tenietgaan,
b.de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in de
Faillissementswet, op de verzekeringnemer van toepassing wordt,
of
c.door tussenkomst
van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het
consumentenkrediet een overeenkomst als bedoeld in artikel 18c, tweede
lid, onderdeel d, is gesloten of een schuldregeling tot stand is
gekomen waarin, naast de verzekeringnemer, ten minste zijn
zorgverzekeraar deelneemt.
Artikel 18e.
Jurisprudentie
Gedurende de eerste twaalf maanden waarover een
verzekering als bedoeld in artikel 9d loopt, is de verzekeringnemer
vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin
hij de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt aan het College
zorgverzekeringen een bestuursrechtelijke premie verschuldigd, die per
maand 100% van de tot een maandbedrag herleide standaardpremie, bedoeld
in de Wet op de zorgtoeslag,
bedraagt.
Artikel 18f.
Jurisprudentie
2.In
opdracht van het College zorgverzekeringen houdt de inhoudingsplichtige
de bestuursrechtelijke premie geheel of voor een door dat college te
bepalen gedeelte in op door hem aan de verzekeringnemer verschuldigd
loon als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, waarna hij het
ingehouden bedrag aan het college afdraagt.
3.De
inhouding geschiedt onmiddellijk nadat de krachtens een ander wettelijk
voorschrift of krachtens een arbeidsovereenkomst verplicht in te houden
belastingen, premies of andere bijdragen zijn ingehouden, met dien
verstande dat bij ministeriële regeling op
socialezekerheidsuitkeringen te verrichten inhoudingen of verrekeningen
kunnen worden aangewezen waarvoor een andere volgorde geldt.
4.Een
inhoudingsplichtige die het door het College zorgverzekeringen aan te
geven bedrag niet of niet geheel heeft ingehouden, is gehouden het
gehele bedrag aan dat college af te dragen, zonder dat het niet
ingehouden bedrag alsnog op de verzekeringnemer kan worden
verhaald.
5.Indien op
loon waarop bestuursrechtelijke premie is ingehouden tevens
derdenbeslag ligt, is het bedrag dat de inhoudingsplichtige ten minste
aan de verzekeringnemer uitbetaalt gelijk aan de beslagvrije voet,
bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, verminderd met het in opdracht van het College
zorgverzekeringen ingehouden bedrag.
8.Het
College zorgverzekeringen heeft terzake van de bestuursrechtelijke
premie die op andere wijze dan bij wege van inhouding wordt geïnd,
een voorrecht op alle goederen van de verzekeringnemer, welk voorrecht
onmiddellijk na het voorrecht, bedoeld in artikel 21 van de
Invorderingswet 1990, kan worden uitgeoefend.
9.Indien
het College zorgverzekeringen ter zake van de inning van de
bestuursrechtelijke premie beslag laat leggen onder een derde die de
verzekeringnemer periodieke betalingen, niet zijnde periodieke
betalingen ter zake van het levensonderhoud van diens kinderen,
verschuldigd is, is de derde-beslagene verplicht om, zolang het college
dit verlangt, het door het college aangegeven achterstallige bedrag en
telkens de nieuw vervallende termijnen van de bestuursrechtelijke
premie of door het college te bepalen gedeelten daarvan, tot welker
verhaal het beslag is gelegd, aan het college uit te betalen, tenzij
onder hem beslag gelegd mocht worden wegens vorderingen van hogere of
gelijke rang.
10.Indien
een beslag als bedoeld in het negende lid is gelegd op een vordering
tot een periodieke betaling als bedoeld in artikel 475c van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, wordt de beslagvrije voet, bedoeld in
artikel 475d van die wet, louter ten aanzien van de vordering van het
College zorgverzekeringen ter zake waarvan het beslag is gelegd, in
aanvulling op het vijfde lid, onderdeel a, van laatstgenoemd artikel
verlaagd met het verschil tussen de bestuursrechtelijke premie en het
reeds ingehouden bedrag van die premie.
Artikel 18g.
1.Het
College zorgverzekeringen gebruikt het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de in de artikelen 18c,
eerste lid, en 18e bedoelde personen, met het doel te waarborgen dat de in het
kader van de uitvoering van deze afdeling en artikel 34a te verwerken
persoonsgegevens op die personen betrekking hebben.
2.Bij
gegevensuitwisseling tussen het College zorgverzekeringen en de in de
artikelen 18f, 88 en 89 bedoelde personen en instanties wordt, voor de
uitvoering van deze afdeling en voor zover die personen en instanties
tot gebruik van dat nummer bevoegd zijn, het burgerservicenummer of,
bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer
gebruikt.
Paragraaf 3.4 - Het eigen risico
Artikel 19.
2.Het bedrag, genoemd
in het eerste lid, wordt jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig
het verschil in geraamde uitgaven voor de zorg en overige diensten,
bedoeld in artikel 11, tussen het kalenderjaar waarop het verplicht
eigen risico betrekking zal hebben en vergelijkbare uitgaven voor het
jaar voorafgaand aan dat kalenderjaar.
3.Indien het geïndexeerde bedrag naar beneden
afgerond € 5 of een veelvoud daarvan verschilt van het in het
eerste lid genoemde bedrag, wordt dit bedrag bij ministeriële
regeling gewijzigd, waarna het in die regeling genoemde bedrag in de
plaats treedt van het in het eerste lid genoemde
bedrag.
4.Rekeningen voor kosten van
zorg of overige diensten worden slechts op het verplicht eigen risico
in mindering gebracht, indien deze door de zorgverzekeraar zijn
ontvangen voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dag
van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het verplicht
eigen risico betrekking heeft.
Artikel 20.
2.De zorgverzekeraar kan voor de verzekering van een persoon van
achttien jaar of ouder varianten van de zorgverzekering
aanbieden met een vrijwillig eigen risico van € 100, € 200, € 300, € 400 of
€ 500 per kalenderjaar, waartegenover hij een korting op de
grondslag van de premie verleent.
5.Indien de zorgverzekeraar
een of meer van de door hem aangeboden vrijwillige eigen risico’s laat
vervallen, geeft de zorgverzekeraar de verzekeringnemers die een
zorgverzekering met zo’n vrijwillig eigen risico hebben afgesloten, de
mogelijkheid om te kiezen voor een zorgverzekering met een lager of
zonder vrijwillig eigen
risico.
Artikel 21.
3.In afwijking van het eerste lid kunnen bij
algemene maatregel van bestuur vormen van zorg of overige diensten
worden aangewezen waarvan de zorgverzekeraar, onder bij die maatregel
te bepalen voorwaarden, kan bepalen dat de kosten geheel of
gedeeltelijk buiten het verplicht eigen risico vallen.
4.De zorgverzekeraar kan vormen van zorg of overige
diensten aanwijzen waarvan de kosten niet onder het vrijwillig eigen
risico vallen, met dien verstande dat bij algemene maatregel van
bestuur vormen van zorg of overige diensten kunnen worden aangewezen
waarvan de kosten geheel of gedeeltelijk buiten het vrijwillig eigen
risico vallen.
Artikel 22.
1.Indien een zorgverzekering niet op 1 januari van een
kalenderjaar ingaat of eindigt, is het in dat kalenderjaar voor
die overeenkomst geldende bedrag van het verplicht eigen risico en
indien dat van toepassing is, vrijwillig eigen
risico gelijk aan
het voor het gehele kalenderjaar geldende bedrag,
vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan
het aantal dagen in dat kalenderjaar waarover de zorgverzekering
zal lopen of heeft gelopen, en de noemer aan het aantal dagen in
het desbetreffende kalenderjaar.
-
2.In afwijking van het eerste lid wordt het in het kalenderjaar
geldende bedrag van het vrijwillig eigen risico indien dat gedurende het
kalenderjaar wijzigt en de verzekeringnemer onmiddellijk
voorafgaande aan die wijziging reeds een zorgverzekering met de
zorgverzekeraar had gesloten, als volgt berekend:
a.ieder bedrag aan vrijwillig eigen risico dat in het desbetreffende
kalenderjaar heeft gegolden of zal gelden, wordt
vermenigvuldigd met het aantal in dat jaar gelegen dagen
waarvoor dat risico gold of zal gelden;
b.de op grond van onderdeel a berekende bedragen worden bij
elkaar opgeteld;
c.het op grond van onderdeel b berekende bedrag wordt
gedeeld door het aantal dagen in het kalenderjaar.
Paragraaf 3.5 - De no-claimteruggave bij beperkt zorggebruik
Paragraaf 3.6 - Overige bepalingen
Artikel 23.
1.Kosten van zorg of een andere dienst worden toegerekend aan
het kalenderjaar waarin de zorg of dienst is genoten, met dien
verstande dat de kosten van zorg of een andere dienst die in
twee achtereenvolgende kalenderjaren is genoten en door de
zorgaanbieder of andere dienstverlener in één bedrag in rekening
zijn gebracht, worden toegerekend aan het kalenderjaar waarin de
zorg of dienst is aangevangen.
2.Bedragen
als bedoeld in artikel 11, derde of vierde lid, die voor rekening van
de verzekerde komen, of kosten als bedoeld in artikel 13, eerste lid,
voor zover zij voor rekening van de verzekerde blijven, worden bij de
beantwoording van de vraag of een voor zijn verzekering geldend
verplicht of vrijwillig eigen risico wordt overschreden, buiten
aanmerking
gelaten.
Artikel 24.
Hoofdstuk 4 - De zorgverzekeraars
Paragraaf 4.1 - De aanmelding, de statuten en het werkgebied
Artikel 25.
Artikel 26.
3.De
zorgautoriteit zendt het College zorgverzekeringen
onverwijld een afschrift van de melding, de modelovereenkomsten
of de wijzigingen in de modelovereenkomsten, onder vermelding
van de datum van ontvangst ervan.
Artikel 27.
Een verzekeraar die ten onrechte een verzekering als
zorgverzekering aanbiedt of uitvoert, is gehouden de schade die
een verzekeringsplichtige of degene die hem heeft verzekerd
dientengevolge lijdt, te vergoeden.
Artikel 28.
Artikel 29.
3.Voor de bepaling van het aantal verzekerden, bedoeld in het
tweede lid, wordt uitgegaan van het gemiddelde aantal
verzekerden in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar
waarvoor de bepaling geschiedt.
4.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
wijze waarop het aantal verzekerden wordt bepaald indien de
zorgverzekeraar in het tweede of eerste jaar voorafgaande aan
het jaar waarvoor de bepaling geschiedt, rechtsopvolger is
geweest van, gefuseerd is met, of afgesplitst is van een andere
zorgverzekeraar dan wel indien deze verzekeraar
zorgverzekeringen van een andere zorgverzekeraar heeft overgenomen.
Artikel 30.
1.Een zorgverzekeraar die geen zorgverzekeringen meer wenst aan
te bieden of uit te voeren, meldt het voornemen hiertoe
schriftelijk aan de
zorgautoriteit, onder vermelding van de
dag met ingang waarvan hij geen zorgverzekeringen meer zal uitvoeren.
Artikel 31.
Paragraaf 4.2 - De
vereveningsbijdrage en de bijdrage voor het verzekerd houden van
verzekerden voor wier verzekering bestuursrechtelijke premie
verschuldigd is
Artikel 32.
1.Het College zorgverzekeringen kent een zorgverzekeraar die
voldaan heeft aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 25,
voor ieder kalenderjaar waarin hij zorgverzekeringen aanbiedt en
uitvoert een bijdrage toe.
3.De regels, bedoeld in het tweede lid, bepalen ten minste dat
de hoogte van de bijdrage wordt berekend op basis van bij die
maatregel te bepalen, voor alle zorgverzekeraars gelijke
criteria, waaronder in ieder geval het aantal verzekerden bij
een zorgverzekeraar en een aantal verzekerdenkenmerken.
Artikel 33.
1.Bij ministeriële regeling kunnen, ingeval van een kernexplosie
of natuurramp, of andere buitengewone gebeurtenissen die niet
tot het normale bedrijfsrisico van zorgverzekeraars kunnen
worden gerekend, na aanvang van het kalenderjaar middelen voor
bijdragen aan een of meer zorgverzekeraars beschikbaar worden gesteld.
Artikel 34.
1.Uiterlijk in het tweede jaar volgende op het kalenderjaar
waarvoor de bijdragen, bedoeld in artikel 32 en 33, zijn
toegekend, stelt het College zorgverzekeringen de bijdrage vast.
2.De vaststelling van een bijdrage als bedoeld in artikel 32,
houdt in ieder geval in een herberekening van de bijdrage op
basis van het werkelijke aantal verzekerden dat de
zorgverzekeraar in het desbetreffende jaar had en de werkelijke
verdeling van de verzekerdenkenmerken als bedoeld in artikel 32,
derde lid, over die verzekerden, voor zover de daartoe benodigde
gegevens tijdig bij het College zorgverzekeringen zijn aangeleverd.
5.Indien de vastgestelde bijdrage hoger is dan de toegekende
bijdrage betaalt het College zorgverzekeringen de
zorgverzekeraar of diens rechtsopvolger het verschil,
vermeerderd met de rentekosten, en indien de vastgestelde
bijdrage lager is dan de toegekende bijdrage vordert het College
zorgverzekeringen het verschil, vermeerderd met de rentekosten,
van de zorgverzekeraar of diens rechtsopvolger terug.
6.Het College zorgverzekeringen is bevoegd het bedrag dat na
toepassing van het eerste en vijfde lid aan de zorgverzekeraar
dient te worden betaald respectievelijk van de zorgverzekeraar
dient te worden teruggevorderd, te verrekenen met een toekenning
van een bijdrage als bedoeld in artikel 32 of 33 over een later jaar.
Artikel 34a.
Artikel 35.
2.De zorgverzekeraar meldt het College zorgverzekeringen, onder
vermelding van de ingangsdatum ervan, iedere door hem gesloten
zorgverzekering, alsmede, indien de zorgverzekering is
geëindigd, de datum waarop deze eindigde.
3.Indien het College zorgverzekeringen constateert dat een
verzekerde bij twee of meer zorgverzekeraars verzekerd is, stelt
hij de betrokken zorgverzekeraars daarvan, onder vermelding van
de namen van alle zorgverzekeraars waarbij de verzekerde
verzekerd is, terstond op de hoogte.
Artikel 36.
Op rechten of verplichtingen die voortvloeien uit hetgeen in
deze paragraaf geregeld is, is titel 4.2 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
Paragraaf 4.3 - De verslaglegging
Artikel 37.
2.Een zorgverzekeraar die artikel 403 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek toepast, zendt de jaarrekening, het
jaarverslag en de geconsolideerde jaarrekening onverwijld na de
neerlegging van het jaarverslag en de geconsolideerde
jaarrekening ten kantore van het handelsregister, in tweevoud
aan de
zorgautoriteit.
3.De
zorgverzekeraar voegt bij de stukken, bedoeld in het eerste of tweede
lid, twee afschriften van de accountantsverklaring die hij op grond van
het Burgerlijk Wetboek of de Wet op het financieel toezicht over deze
stukken dient te laten
opstellen.
Artikel 38.
Hoofdstuk 5 - Het Zorgverzekeringsfonds, de inkomensafhankelijke bijdrage,
de rijksbijdragen en de belasting van gemoedsbezwaarden
Paragraaf 5.1 - Het Zorgverzekeringsfonds
Artikel 39.
4.Uit het Zorgverzekeringsfonds kunnen, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels,
middelen worden gebruikt voor het vormen en
in stand houden van een voor de doelstelling van het fonds
noodzakelijke reserve.
Artikel 40.
5.Onze Minister stelt in
overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, na overleg met het College zorgverzekeringen, de
omvang van het in het vierde lid bedoelde deel van de financiële
middelen vast.
10.Onze Minister stelt in
overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, na overleg met het College zorgverzekeringen, regels
omtrent de rente die over de saldi van de in het tweede lid
bedoelde rekening-courant wordt vergoed onderscheidenlijk in
rekening wordt gebracht.
11.Onze Minister
kan in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, na overleg met het College zorgverzekeringen, regels
stellen omtrent het tweede, zevende en achtste lid.
Paragraaf 5.2 - De inkomensafhankelijke bijdrage
Artikel 41.
De inhoudingsplichtige en de verzekeringsplichtige
zijn een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd.
Artikel 42.
2.Het loon
waarover de inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge het eerste lid
wordt geheven, wordt ten minste gesteld op nihil en wordt bij dezelfde
inhoudingsplichtige tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het
door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en van Financiën, met betrekking tot een kalenderjaar vastgestelde bedrag.
3.Het
bedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld voor
loontijdvakken waarin loon als bedoeld in het eerste lid wordt genoten
waarvoor Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dit nodig acht.
5.De inkomensafhankelijke bijdrage wordt per loontijdvak berekend over het verschil tussen het loon dat de werknemer in het kalenderjaar heeft genoten tot en met dat loontijdvak en het loon dat de werknemer in dat kalenderjaar heeft genoten tot en met het aan dat loontijdvak voorafgaande loontijdvak, met dien verstande dat van het bij eenzelfde inhoudingsplichtige genoten loon buiten aanmerking blijft het gedeelte dat meer bedraagt dan het met toepassing van het derde of vierde lid vastgestelde bedrag per loontijdvak, vermenigvuldigd met het aantal loontijdvakken van het kalenderjaar.
7.De
inhoudingsplichtige mag de door hem verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage niet verhalen op de verzekeringsplichtige of op degene,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b. Elk beding waarbij van
de eerste volzin wordt afgeweken, is nietig.
Artikel 43.
3.Het
bijdrage-inkomen wordt ten minste op nihil gesteld en wordt tot geen
hoger bedrag in aanmerking genomen dan het bij regeling van Onze
Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en van Financiën, met betrekking tot een kalenderjaar vastgestelde bedrag.
5.Ingeval
de inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge artikel 49, derde lid, bij
wege van aanslag wordt geheven, wordt daarbij als bijdrage-inkomen ten
hoogste in aanmerking genomen een bedrag gelijk aan het in het derde
lid bedoelde bedrag, verminderd met het loon, bedoeld in artikel 42,
van de verzekeringsplichtige en met het door de verzekeringsplichtige
van een inhoudingsplichtige genoten loon, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel a.
Artikel 45.
3.De
in het eerste en tweede lid bedoelde bijdragepercentages worden
vastgesteld bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze
Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Financiën,
waarbij voor daarbij aan te geven bestanddelen van het loon of het
bijdrage-inkomen een afwijkend percentage kan worden
vastgesteld.
4.De bijdragepercentages worden zodanig vastgesteld, dat de som
van de inkomensafhankelijke bijdragen gelijk is aan 50% van de
som van bij ministeriële regeling te bepalen, ten gunste van het
Zorgverzekeringsfonds of van de zorgverzekeraars komende inkomsten.
5.Na afloop van het kalenderjaar vastgestelde verschillen tussen
de bedragen van de inkomsten die in de ministeriële regeling,
bedoeld in het vierde lid, in aanmerking waren genomen en de
werkelijke bedragen van die inkomsten, worden verrekend bij de
vaststelling van het bijdragepercentage in een volgend jaar.
Artikel 47.
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën en Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot deze paragraaf.
Paragraaf 5.3 - De heffing en invordering van de inkomensafhankelijke bijdrage
Artikel 48.
De rijksbelastingdienst heft de inkomensafhankelijke bijdrage.
Artikel 49.
2.Voor
zover het bijdrage-inkomen bestaat uit loon als bedoeld in artikel 43,
tweede lid, onderdeel a, dat van een inhoudingsplichtige wordt genoten,
wordt de inkomensafhankelijke bijdrage bij wijze van inhouding geheven
met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van loonbelasting
geldende regels.
3.Voor
zover het bijdrage-inkomen bestaat uit andere dan de in het tweede lid
bedoelde bestanddelen, wordt de inkomensafhankelijke bijdrage bij wege
van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de
heffing van de inkomstenbelasting geldende regels, met uitzondering van
artikel 3 154 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 50.
1.De
inspecteur verleent bij voor bezwaar vatbare beschikking aan de
verzekeringsplichtige een teruggaaf van de op het loon ingehouden
inkomensafhankelijke bijdrage voor zover het loon van de
verzekeringsplichtige waarover inkomensafhankelijke bijdrage is geheven
hoger is dan het in artikel 43, derde lid, bedoelde bedrag.
4.Ingeval
een teruggaaf of een voorschot ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is verleend, kan de inspecteur het te veel betaalde bedrag bij voor
bezwaar vatbare beschikking terugvorderen. De bevoegdheid tot
terugvordering vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het
kalenderjaar waarop de teruggaaf of het voorschot, bedoeld in de eerste
volzin, betrekking heeft. Bij de invordering van het ingevolge de
eerste volzin terug te vorderen bedrag zijn de regels die gelden voor
de invordering van inkomstenbelasting van overeenkomstige
toepassing.
5.In
afwijking van de artikelen 30h en 30ha van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen wordt bij de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld
in het eerste lid, en de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in
het vierde lid, uitsluitend belastingrente vergoed, onderscheidenlijk
in rekening gebracht, indien de dagtekening van de beschikking ligt na
het verstrijken van een periode van zes maanden na afloop van het
kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft. De belastingrente
wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na
het verstrijken van een periode van zes maanden na het einde van het
kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft en eindigt 14 dagen na
de dagtekening van de
beschikking.
Artikel 51.
2.Bij
de invordering van de bijdrage zijn, naar gelang artikel 49, eerste of
tweede, dan wel derde lid, van toepassing is, de regels geldende voor
de invordering van loonbelasting, onderscheidenlijk de
inkomstenbelasting van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 52.
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Financiën
worden regels gesteld met betrekking tot de afdracht van de
inkomensafhankelijke bijdragen alsmede van de daarmee verband
houdende bestuurlijke boeten en renten door de
rijksbelastingdienst aan het Zorgverzekeringsfonds.
Artikel 53.
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën en Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot deze paragraaf.
Paragraaf 5.4 - De rijksbijdragen aan het Zorgverzekeringsfonds
Artikel 54.
Artikel 55.
1.Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, een bijdrage aan het Zorgverzekeringsfonds verlenen
ter gehele of gedeeltelijke betaling van zorg of overige
diensten als bedoeld in artikel 10, in geval de behoefte aan die
zorg of diensten is veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend
conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer,
muiterij of terrorisme.
3.In een regeling als bedoeld in het tweede lid kan worden
bepaald dat zorgverzekeraars het College zorgverzekeringen
bijstand verlenen bij het uitvoeren van de ministeriële
regeling, bedoeld in het tweede lid, en welke vergoeding daar
voor de zorgverzekeraars tegenover staat.
Artikel 56.
Indien de situatie, bedoeld in artikel 31, eerste lid, zich
heeft voorgedaan, verstrekt Onze Minister een bijdrage aan het
Zorgverzekeringsfonds ter hoogte van het verschil tussen het
bedrag aan voldane vorderingen, als bedoeld in artikel 31, eerste
lid, en het bedrag dat het College zorgverzekeringen ter zake van
de vorderingen, bedoeld in artikel 31, tweede lid, heeft ontvangen.
Paragraaf 5.5 - De bijdragevervangende belasting gemoedsbezwaarden
Artikel 57.
1.Van de
persoon die op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel b, niet
verzekeringsplichtig is, wordt bijdragevervangende belasting geheven,
tot het bedrag van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel
43, tweede lid, dat deze persoon verschuldigd zou zijn als hij
verzekeringsplichtig zou zijn.
Hoofdstuk 6 - Het College zorgverzekeringen
Paragraaf 6.1 - Algemene bepalingen
Artikel 58.
Artikel 59.
Artikel 59a.
2.De commissie bestaat uit een oneven aantal van ten
hoogste negen leden, waaronder de leden van het College
zorgverzekeringen. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van de
commissie. Het lidmaatschap eindigt tussentijds door overlijden,
ontslag op eigen verzoek of ontslag om zwaarwichtige redenen door Onze
Minister.
3.Artikel 59, tweede en derde
lid, zijn op de leden van de
commissie die niet tevens leden van het College zorgverzekeringen zijn,
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hun benoeming
plaatsvindt op grond van de deskundigheid die nodig is voor de
uitoefening van de taken van de commissie en op grond van
maatschappelijke kennis en ervaring.
Artikel 60.
Paragraaf 6.2 - Taken en bevoegdheden, voor
zover niet elders
geregeld
Artikel 64.
Artikel 65.
Het College zorgverzekeringen geeft aan zorgverzekeraars, aan
zorgaanbieders en aan burgers voorlichting over de aard, inhoud en
omvang van de prestaties, bedoeld in artikel 11.
Artikel 66.
2.Het College zorgverzekeringen signaleert gevraagd en
ongevraagd aan Onze Minister feitelijke ontwikkelingen die
aanleiding kunnen geven tot wijzigingen van de aard, inhoud en
omvang van de prestaties, bedoeld in artikel 11.
Artikel 67.
Het College zorgverzekeringen bevordert de afstemming van de uitvoering:
a.van en tussen de zorgverzekering en de algemene verzekering
bijzondere ziektekosten, en
b.van deze verzekeringen met de uitvoering van het beleid op
andere terreinen van de volksgezondheid en op andere terreinen
van sociale zekerheid.
Artikel 68.
Artikel 69.
1.In het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van
de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van
zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale
zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van
de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de
verzekering voor zorg van hun woonland, melden
zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig
zijn, bij het College zorgverzekeringen aan.
2.De in het eerste lid bedoelde personen zijn een bij
ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd, die voor een bij die regeling te
bepalen gedeelte, voor de toepassing van de Wet op de
zorgtoeslag als premie voor een zorgverzekering wordt
beschouwd.
4.Het College zorgverzekeringen is belast met de administratie,
voortvloeiend uit het eerste lid en de daar genoemde
internationale regels, alsmede met het nemen van
beschikkingen over de heffing en de inning van de bijdragen, bedoeld in het tweede en derde lid.
5.Indien tegen een door het College zorgverzekeringen op grond van dit artikel genomen beschikking bezwaar wordt gemaakt, beslist dat college, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
9.Indien de melding, bedoeld in het eerste lid, niet is geschied binnen vier maanden nadat het recht, bedoeld in het eerste lid, is ontstaan, legt het College zorgverzekeringen degene die de melding had moeten doen een bestuurlijke boete op ter hoogte van driemaal de tot een maandbedrag herleide standaardpremie, bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag.
Artikel 70.
2.In afwijking van het eerste lid opent of houdt het College
zorgverzekeringen één rekening in stand indien twee of meer
gemoedsbezwaarden als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
onderdeel b, een gezamenlijke huishouding voeren, en worden op
die rekening de belastingen van ieder van deze gemoedsbezwaarden gestort.
5.Uitkeringen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, worden
slechts op verzoek van een gemoedsbezwaarde voor wie de rekening
in stand wordt gehouden, gedaan.
6.De kosten van zorg of overige diensten worden niet vergoed
voor zover deze voor een verzekerde op grond van de regels,
gesteld bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in artikel 11, derde of vierde lid, voor eigen rekening blijven.
8.Indien een gemoedsbezwaarde een gezamenlijke huishouding is
gaan vormen met een andere gemoedsbezwaarde, heft het College
zorgverzekeringen een van de twee rekeningen op, onder
overmaking van het saldo naar de overblijvende rekening.
9.Het College zorgverzekeringen zorgt per gemoedsbezwaarde of
huishouding, bedoeld in het tweede lid, voor een ordentelijke
administratie van de stortingen op en de uitkeringen ten laste
van de rekening.
11.Het College zorgverzekeringen is bevoegd de werkzaamheden,
bedoeld bij of krachtens het eerste tot en met tiende
lid, onder
vergoeding van de daarmee gepaard gaande kosten, uit te besteden
aan een of meer zorgverzekeraars.
Paragraaf 6.3 - Planning, verslaglegging en financiering
Artikel 71.
Artikel 72.
4.Indien het budget voor de beheerskosten niet is vastgesteld
voor 1 januari van het kalenderjaar waarop de begroting
betrekking heeft, is het College zorgverzekeringen bevoegd,
teneinde zijn activiteiten gaande te houden, te beschikken over
ten hoogste een derde gedeelte van het budget dat laatstelijk
voor hem voor een geheel jaar is vastgesteld.
Artikel 73.
Artikel 74.
1.Het College zorgverzekeringen zendt jaarlijks voor 15 maart
aan Onze Minister met betrekking tot het Zorgverzekeringsfonds
een jaarrekening over het afgelopen kalenderjaar, alsmede het
verslag van bevindingen, bedoeld in het vijfde lid.
2.Het College zorgverzekeringen legt in de jaarrekening, die
zoveel mogelijk met overeenkomstige toepassing van titel 9 van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt ingericht, rekening en
verantwoording af over de baten en lasten van het
Zorgverzekeringsfonds en de toestand van dat fonds per
31 december, alsmede over de rechtmatigheid en doelmatigheid van
het beheer van dat fonds in het afgelopen kalenderjaar.
3.De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in
artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die bereid is
Onze Minister desgevraagd inzicht te geven in zijn controlewerkzaamheden.
5.De accountant voegt bij de verklaring een verslag van zijn
bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie
voldoen aan eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid,
controleerbaarheid en doelmatigheid.
Artikel 75.
1.Het
werkprogramma, bedoeld in artikel 71, de jaarrekeningen, bedoeld in de
artikelen 74 en 122a, tiende lid, en de begroting, bedoeld in artikel
122a, zevende lid, behoeven de goedkeuring van Onze
Minister.
-
2.In afwijking van het eerste lid en van artikel 29,
eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, behoeven
wijzigingen in een goedgekeurde begroting geen goedkeuring van Onze
Minister, mits:
a.de totale omvang van de begroting geen wijziging
ondergaat, en
b.de wijziging per groep van kostensoorten en baten,
gerekend over het desbetreffende begrotingsjaar, een bedrag
van 5 procent van het in artikel 72 bedoelde budget niet te
boven gaat.
Artikel 76.
Na de goedkeuring, bedoeld in artikel 75, eerste
lid, en de goedkeuring, bedoeld in de artikelen 29, eerste lid, en 34,
tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, stelt het
College zorgverzekeringen de in artikel 75, derde lid, onder a, b, c,
en d, genoemde stukken algemeen
verkrijgbaar.
Hoofdstuk 7 - Gegevensverstrekking
Artikel 86.
1.Tenzij
de verzekerde daarover niet beschikt, neemt de zorgverzekeraar met het
oog op de uitvoering van de zorgverzekering en van deze wet het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer van zijn verzekerde en, gedurende zeven jaren na
het einde van de verzekering, van zijn gewezen verzekerde in zijn
administratie
op.
3.De zorgverzekeraar gebruikt het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de verzekerde met het doel te waarborgen dat de in het kader van de verzekering van zorg te verwerken persoonsgegevens op die verzekerde betrekking hebben.
4.Bij gegevensuitwisseling tussen de zorgverzekeraars en de stichtingen, bedoeld in artikel 14, derde lid, alsmede tussen de zorgverzekeraars en de in de artikelen 88 en 89 genoemde personen en instanties wordt, voor zover die stichtingen, personen en instanties tot gebruik van dat nummer bevoegd zijn, het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer gebruikt.
7.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald aan welke beveiligingseisen de gegevensverwerking, bedoeld in het eerste, vierde en vijfde lid, voldoet.
8.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden over de bij de gegevensuitwisseling, bedoeld in het vierde en vijfde lid, te verwerken feiten of gegevens met betrekking tot verzekerden van wie het vaststellen van het burgerservicenummer of het sociaal-fiscaalnummer onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost. Bij of krachtens die maatregel kan worden bepaald aan welke beveiligingseisen de verwerking van die feiten of gegevens voldoet.
9.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vormen van zorg of andere diensten als bedoeld in artikel 11, alsmede categorieën van zorgverzekeraars, van stichtingen als bedoeld in artikel 14, derde lid, en van in de artikelen 88 en 89 genoemde personen en instanties worden uitgezonderd van de toepassing van het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met het achtste lid.
Artikel 87.
1.Een zorgaanbieder die aan een verzekerde zorg of andere
diensten, bedoeld in artikel 11, heeft verleend, en die de kosten
daarvan krachtens een door hem met de zorgverzekeraar gesloten
overeenkomst rechtstreeks bij die zorgverzekeraar in rekening
brengt, verstrekt die zorgverzekeraar of een door die
zorgverzekeraar aangewezen persoon de persoonsgegevens van de
verzekerde, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid
als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de zorgverzekering of van
deze wet, dan wel stelt hem deze gegevens voor dit doel voor
inzage of het nemen van afschrift ter beschikking.
2.Een zorgaanbieder die aan een verzekerde zorg of andere
diensten, bedoeld in artikel 11, heeft verleend en die de kosten
daarvan bij de verzekerde in rekening brengt, verstrekt hem de
persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens betreffende zijn
gezondheid als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, die
voor zijn zorgverzekeraar noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
de zorgverzekering of van deze wet.
3.De zorgaanbieder, bedoeld in het eerste of tweede lid, verstrekt
een door Onze Minister aangewezen persoon kosteloos bij
ministeriële regeling omschreven, voor de uitvoering van deze wet
noodzakelijke persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens
betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens.
4.Personen werkzaam ten behoeve van een zorgaanbieder als bedoeld
in het eerste of tweede lid, verstrekken die zorgaanbieder de
persoonsgegevens die hij nodig heeft om te kunnen voldoen aan zijn
verplichtingen bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.
5.Personen werkzaam bij de zorgverzekeraar, bij een door de
zorgverzekeraar aangewezen persoon als bedoeld in het eerste lid,
of bij de door Onze Minister aangewezen persoon als bedoeld in het
derde lid, voor wie niet reeds uit hoofde van ambt of beroep een
geheimhoudingplicht geldt, zijn verplicht tot geheimhouding van de
gegevens als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen
mededeling toestaat.
Artikel 88.
1.Een ieder verstrekt op verzoek aan de zorgverzekeraars, het
College zorgverzekeringen, de
zorgautoriteit, Onze Minister, de
rijksbelastingdienst, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, de Sociale verzekeringsbank, het college van burgemeester en
wethouders, het CAK, of aan een daartoe door of vanwege een van deze
zorgverzekeraars of instanties aangewezen persoon kosteloos alle
inlichtingen en gegevens, waaronder persoonsgegevens als bedoeld
in de Wet bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor
de uitvoering van de zorgverzekeringen of van deze wet.
3.Een ieder geeft op verzoek van een rechtspersoon als bedoeld in
het eerste lid, inzage in alle bescheiden en andere
gegevensdragers, stelt deze op verzoek ter beschikking voor het
nemen van afschrift en verleent de terzake verlangde medewerking,
voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet
door de desbetreffende zorgverzekeraars of instanties.
Artikel 89.
1.De in artikel 88, eerste lid, bedoelde zorgverzekeraars en
instanties zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek
binnen een bij dat verzoek genoemde termijn, uit de onder hun
verantwoordelijkheid gevoerde administratie, aan elkaar, aan een
daartoe door of vanwege hen aangewezen persoon of aan een door
Onze Minister aangewezen persoon, kosteloos, de gegevens,
waaronder persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming
persoonsgegevens, te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van de zorgverzekeringen of van deze wet.
2.Een zorgverzekeraar verleent op verzoek van het College
zorgverzekeringen dan wel van de
zorgautoriteit aan door het desbetreffende
bestuursorgaan aangewezen personen inzage in alle
bescheiden en andere gegevensdragers, stelt deze op verzoek ter
beschikking voor het nemen van afschrift en verleent de terzake
verlangde medewerking, voor zover het desbetreffende
bestuursorgaan dit
nodig acht voor de uitoefening van zijn taak.
3.Onze
Minister is bevoegd zorgverzekeraars en zorgaanbieders, ter handhaving
van het bepaalde bij of krachtens het eerste lid, een aanwijzing te
geven betreffende de verstrekking van gegevens die het CAK voor de
vaststelling van het recht op en de verstrekking van de tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 11a en van de uitkeringen, bedoeld in artikel 118a, eerste lid, nodig
heeft.
5.Alle ambtenaren tot afgifte van uittreksels uit registers van
burgerlijke stand bevoegd, zijn verplicht aan een in artikel 88,
eerste lid, bedoelde zorgverzekeraar of instantie de door deze
gevraagde uittreksels uit de registers kosteloos toe te zenden.
6.Griffiers van colleges, geheel of ten dele met rechtspraak
belast, verstrekken op verzoek, kosteloos, aan een
zorgverzekeraar, aan het College zorgverzekeringen of aan de
zorgautoriteit alle gegevens, inlichtingen en uittreksels uit of
afschriften van uitspraken, registers en andere stukken, die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet door de
zorgverzekeraar of het desbetreffende
bestuursorgaan.
Artikel 90.
1.De
zorgautoriteit, onderscheidenlijk het College
zorgverzekeringen kan na overleg met het College
zorgverzekeringen, onderscheidenlijk de
zorgautoriteit bij
regeling bepalen welke gegevens en inlichtingen regelmatig door de
zorgverzekeraars moeten worden verstrekt.
Artikel 91.
2.Het College zorgverzekeringen en de zorgautoriteit
verstrekken desgevraagd aan het College bouw of het College sanering,
bedoeld in de Wet toelating zorginstellingen, de voor de
uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen en gegevens.
3.Het College zorgverzekeringen en de zorgautoriteit verlenen
aan door een bestuursorgaan, bedoeld in het
tweede lid, aangewezen personen toegang tot en inzage in zakelijke
gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van hun
taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 92.
Artikel 93.
1.Het is een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet
of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult of
heeft vervuld, verboden van vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen die ingevolge deze wet dan wel ingevolge titel
5.2
van de Algemene wet bestuursrecht zijn verstrekt of verkregen of
van De Nederlandsche Bank N.V. of de Stichting
Autoriteit Financiële Markten zijn ontvangen, verder of anders
gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven
dan voor de uitvoering van zijn taak of bij of krachtens deze wet
wordt geëist.
2.In afwijking van het eerste lid kunnen de zorgautoriteit en
het College zorgverzekeringen met gebruikmaking van vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van hun taken
op grond van deze wet, mededelingen doen, indien deze niet kunnen
worden herleid tot afzonderlijke personen of ondernemingen.
3.In afwijking van het eerste lid en in overeenstemming met artikel 1:89 van de
Wet op het financieel toezicht zijn de zorgautoriteit, het
College zorgverzekeringen, De Nederlandsche Bank N.V. en
de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor zover dat voor
hun taakuitoefening noodzakelijk is, bevoegd aan elkaar en aan
Onze Minister vertrouwelijke gegevens of inlichtingen omtrent
afzonderlijke verzekeraars te verschaffen.
5.Het vierde lid, onderdeel b, geldt niet voor gegevens of
inlichtingen die betrekking hebben op verzekeraars die betrokken
zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende verzekeraar
in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten.
Hoofdstuk 8 - Rechtsbescherming
Artikel 114.
2.De onafhankelijke instantie neemt een geschil slechts in
behandeling nadat de verzekeringnemer of de verzekerde de
zorgverzekeraar heeft verzocht zijn beslissing te heroverwegen, en
deze niet binnen redelijke termijn of niet naar tevredenheid van
de verzekeringnemer of verzekerde heeft gereageerd.
3.De onafhankelijke instantie vraagt advies aan het
College zorgverzekeringen indien het geschil betrekking heeft op
de zorg of de overige diensten, bedoeld in artikel 11, dan wel de
vergoeding van die zorg of diensten.
Hoofdstuk 9 - Overige bepalingen
Artikel 118.
1.Een verzekerde die voor rekening van zijn zorgverzekering bij
ministeriële regeling aan te wijzen zorg of andere diensten als
bedoeld in artikel 11 wenst te genieten, verstrekt aan de persoon
of instelling die die zorg of dienst verleent ter inzage een
identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet
op de identificatieplicht, of een ander bij ministeriële regeling
aan te wijzen document waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld.
3.De persoon of instelling stelt aan de hand van het ter inzage
verstrekte document de identiteit vast van degene aan wie de in
het eerste lid bedoelde zorg of dienst wordt verleend, en neemt
het met inachtneming van artikel 7 van de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg vastgestelde burgerservicenummer van de
verzekerde in zijn administratie op.
Artikel 118a.
3.Zorgverzekeraars verstrekken aan het CAK de persoonsgegevens van de personen bedoeld in het
eerste lid, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid als
bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn
ter uitvoering van het eerste
lid.
Artikel 119.
1.Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van
geneeskundige zorg of de kosten daarvan, gesloten voor een
verzekerde met of ten behoeve van wie tevens een zorgverzekering
is gesloten, vervalt met ingang van de dag waarop de bij en
krachtens artikel 11 te verzekeren prestaties worden uitgebreid,
voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend,
gelijkwaardig aan die, welke vanaf dat moment uit de
zorgverzekering voortvloeien.
2.De premie die voor de op grond van het eerste lid geheel of
gedeeltelijk vervallen overeenkomst is vooruitbetaald, wordt door
de verzekeraar al naar gelang van het vervallen gedeelte der
overeenkomst terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25% van
het terug te betalen bedrag.
Artikel 120.
Een beding van een verzekeraar die een ziektekostenverzekering ter
aanvulling van de zorgverzekering aanbiedt, inhoudende dat de
ziektekostenverzekering eindigt of door de verzekeraar mag worden opgezegd indien met of ten behoeve van de
verzekerde een zorgverzekering met een andere zorgverzekeraar wordt
gesloten, is nietig.
Artikel 121.
De bevoegdheden die artikel 91 van de Comptabiliteitswet 2001 de
Algemene Rekenkamer verschaft ten aanzien van rechtspersonen als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, van dat artikel, gelden niet
ten aanzien van de wijze waarop zorgverzekeraars de opbrengst van
bij of krachtens deze wet ingestelde heffingen aanwenden.
Artikel 122.
Een zorgverzekeraar wordt, voor zover deze niet kan worden
aangemerkt als onderneming in de zin van artikel 81 van het Verdrag
tot oprichting van de Europese Gemeenschap, voor de toepassing van
de Mededingingswet aangemerkt als onderneming in de zin van artikel
1 van die wet.
Artikel 122a.
2.Onder
medisch noodzakelijke zorg wordt verstaan zorg of overige diensten als
bedoeld in artikel 11 van deze wet of in artikel 6 van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten, met uitzondering van bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van zorg of diensten, en
slechts voor zover de zorgaanbieder verstrekking ervan, gezien de aard
van de prestaties en de verwachte duur van het verblijf van de
vreemdeling, medisch noodzakelijk
acht.
5.In
bijdragen als bedoeld in het eerste lid voor andere zorg dan de zorg,
bedoeld in het vierde lid, wordt voorzien door middel van met het oog
op verlening van die zorg tussen het College zorgverzekeringen en
zorgaanbieders gesloten
overeenkomsten.
6.Indien
een zorgaanbieder zowel in zorg als bedoeld in het vierde lid als in
zorg als bedoeld in het vijfde lid kan voorzien, kan een overeenkomst
als bedoeld in het vijfde lid zich tevens uitstrekken over de in het
vierde lid bedoelde zorg en kunnen in die overeenkomst van het vierde
lid afwijkende afspraken worden
gemaakt.
7.Het
College zorgverzekeringen zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze
Minister een begroting van de kosten van de bijdragen, bedoeld in het
eerste lid, voor het volgende
kalenderjaar. Indien gedurende het jaar
aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de
werkelijke en de begrote baten en lasten, doet het College
zorgverzekeringen daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister,
onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.
10.Het
College zorgverzekeringen zendt jaarlijks voor 15 maart aan Onze
Minister een jaarrekening waarin het rekening en verantwoording aflegt
over de verstrekte bijdragen, bedoeld in het eerste lid, in het
afgelopen
kalenderjaar.
11.De
jaarrekening, bedoeld in het tiende lid, wordt zoveel mogelijk
ingericht met overeenkomstige toepassing van titel 9 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek en gaat vergezeld van een jaarverslag omtrent het
door het College zorgverzekeringen gevoerde beleid bij het verstrekken
van de in het eerste lid bedoelde bijdragen, de doeltreffendheid van
dat beleid en de uitvoering van het werkprogramma ter zake in het
afgelopen kalenderjaar.
13.De
zorgaanbieder die in aanmerking wenst te komen voor een bijdrage als
bedoeld in dit artikel, verstrekt het College zorgverzekeringen of door
dat College aangewezen, bij de uitvoering van dit artikel betrokken
personen, bij ministeriële regeling te bepalen gegevens die
noodzakelijk zijn om het recht op en de omvang van een bijdrage te
kunnen vaststellen, dan wel stelt hem deze gegevens voor dit doel voor
inzage of het nemen van afschrift ter
beschikking.
Hoofdstuk 10 - Slotbepalingen
Artikel 124.
De voordracht voor een krachtens de artikelen 11, derde of vierde
lid, 19, vierde en vijfde lid, 21 en 32, tweede lid, vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
Artikel 125.
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van
deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid
en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 126.
Voor de uitvoering van deze wet kunnen bij algemene maatregel van
bestuur nadere regels worden gesteld.
Artikel 127.
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 128.
Deze wet wordt aangehaald als: Zorgverzekeringswet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 16 juni 2005
Beatrix
De
Minister
van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
,
J. F.Hoogervorst
Uitgegeven de veertiende
juli 2005
De
Minister
van
Justitie
,
J. P. H.Donner